maandag 2 mei 2011

Van de laatste 53 dagen van de Hofreis van 1822, worden er door Van Overmeer Fissher maar 7 kort genoemd in zijn verslag. In plaats van de ontbrekende dagen weer te vullen met passages uit andere hoofdstukken van het boek van Van Overmeer Fisscher, volgen deze dagen hieronder.

Op de 6de mei kwamen wij aan in Miako [Kyoto], en op de 8ste hadden bij audiëntie bij de Opperrechter en de Gouverneurs, die ons net zoals de Rijksraden in Edo, maar dan in persoon, ontvingen.
Omdat het vertrek uit Lelystad verhaast werd, hadden wij maar een dag om de beroemde tempel Tsjiwonjo [Chionin], en die van Giwon de Chion Yasaka schrijn?] en Daijwits [Daibutsuji] te bezichtigen, de laatste pronkt met 33.333 afgodsbeelden en is beschreven in het werk van Kaempfer.
Volgens gebruik gingen wij ook naar de Nikin-Tjaya [niken chaya],, een beroemd theehuis, waar wij, in een geheel open tent, beleefd ontvangen en goed onthaald werden. Er waren hier zoveel bezoeken en gezelschappen bijeen, dat wij niet zonder reden veronderstelden, dat wij hier alleen maar uitgenodigd waren, om de inwoners van Miako gelegenheid te geven, de vreemdelingen uit verre landen te kunnen bekijken.


De Nishihongan Tempel in Kyoto. Uit : Nippon

Op de 13e mei gingen wij bij audiëntie bij de Gouverneur van Osaka, die ook jaarlijks enige geschenken ontvangt. Wij werden hier onthaald, en bezichtigden enige tempels, en tevens, al wandelende, ook deze voorname handelsstad zelf. De volgende dag gingen wij naar de schouwburg, een zeer groot lokaal, waar men voor ons en de rest van de stoet de beste plaatsen had gereserveerd. Men voerde afwisselend treurspelen, gevechten en komedies op, waarvan het onderwerp meestal te maken had met de oude geschiedenis van het land. De decoraties en de kleding waren zeer schoon, maar de vrouwenrollen werden ook door mannen vervuld, en de muziek was vervelend. Dit zijn de enige aanmerkingen, die wij kunnen maken op de overigens zowel mooie als ongekunstelde voorstelling, die overigens in alle opzichten onze verwachtingen overtrof.
Van Osaka vertrokken wij naar Fiogo [Hyōgo], waar wij opnieuw vele belangrijke tempels bezichtigden, en op de 22e mei scheepten wij ons in en gingen de volgende dag onder zeil, deden de 25e Tomo aan, om wat drinkwater en verversingen in te nemen, en kwamen op de 28e mei in Simonoseki [Shimonoseki]. Van hieruit vertrokken wij naar Kokura met vaartuigen, en vervolgden toen de terugreis over land naar Nagasaki, terwijl het grootste gedeelte van de bagage, en de goederen die wij onderweg gekocht hadden, met de hofreisbark vetrokken en enige dagen na ons op de bestemde plaats aankwamen.
Op de 4de juni kwamen wij ‘s avonds in Jagami [Yagami], ruim twee mijl van Nagasaki gelegen, waar verschillende tolken, etc., ons geluk kwamen wensen met de behouden terugreis. Wij hadden reeds de vorige avond in Omura een afscheidsmaal met onze reisgenoten gehad, en zij ontvingen van het opperhoofd enkele geschenken tot aandenken. In Jagami werden alle koffers en bagage gevisiteerd en verzegeld, maar dit geschiedde met zoveel bescheidenheid en oogluiking, dat, al waren er ook verboden goederen in verborgen geweest, men alles ongehinderd zou hebben laten doorgaan. Op de 5de juni 's morgens vroeg vertrekkende, kwamen ons van tijd tot tijd tussen Jagami en Nagasaki al onze kennissen tegemoet, en eindelijk ook onze op Decima de achtergebleven landgenoten, die wij na een afwezigheid van honderdtwintig dagen, die wij geheel tussen een vreemd volk hadden doorgebracht, met veel genoegen terug zagen. Ook wijwaren heel blij na deze belangrijke reis, die in de laatste dagen door de sterke hitte zeer vermoeiend was geweest, dat wij weer konden genieten van de vrije en stille rust op het eenzame Decima.
De snelheid en de drukte, waarmee deze reis geschiedt, en ook de beperkingen waaraan men onderworpen is, hadden tot gevolg dat de nieuwsgierigheid slechts gedeeltelijk kon worden bevredigd. Daarnaast in het moeilijk om zonder de trouwe hulp en medewerking van een kundige en bereisde Japanner, ook maar slechts een middelmatige kennis op te doen en voordeel te halen uit de grote hoeveelheid voorwerpen en de bewijzen van maatschappelijke welvaart en beschaving die aan alle kanten de aandacht vragen van de reiziger, vooral de buitenlandse.
Als bijzonderheid moet hier worden opgemerkt, dat er onder alle overige [=niet Japanse] thans levende bewoners van de wereld, slechts acht Hollanders zijn die de hoofdstad van Japan hebben bezocht, die misschien wel de grootste stad ter wereld is.
Graag had ik in een latere periode waarin ik wat meer op de hoogte was van de gebruiken van het land, nog een tweede reis naar Jedo gemaakt. Maar omdat ik toen [in 1828] de post van Pakhuismeester ( eerste ambtenaar na het Opperhoofd) bekleedde, moest ik bij zijn afwezigheid het bestuur van Decima op mij nemen.
In het jaar 1829 heb ik in deze functie afscheid van Japan genomen, en de herinneringen aan mijn langdurig verblijf in dit land evenals mijn aanhoudende pogingen om enigermate bij te dragen aan de kennis van dat land en zijn volk, zullen mij des te aangenamer zijn, wanneer dit werk de goedkeuring van mijn Landgenoten mag krijgen.



Een complete Pdf versie van Van Overmeerr Fisscher’s “Bijdrage tot de kennis van het Japanse Rijk” is in voorbereiding. Martien van Oijen

zaterdag 30 april 2011

Op 30 april bezichtigden wij een beroemde tempel in Gozozi, waar ons verschillende relikwieën werden vertoond van de keizer GONGEN die in dit landschap geboren en opgevoed is. Toevallig werd hier juist het feest van de patroon van deze tempel gevierd, door feesten en vreugdefestijnen, in de omtrek of op het grondgebied van dit gebouw, wat rondom met vlaggen en kransen was versierd. De oudheden van GONGEN SAMA, zoals zijn wapens, kleding, muziektuig, geschriften, afbeelding en andere heilige voorwerpen, werden ons met de meeste zorg en voorzichtigste behandeling vertoond, en dit werd ons als een uitstekende eer toegerekend, die wij beantwoordden aan de hogere geestelijkheid met complimenten en buigingen, en aan de mindere bedienden met enige itsiboe’s, of stukjes goud met een waarde van ongeveer drie gulden.

vrijdag 29 april 2011

Uit het hoofdstuk Aardrijkskunde en Landgesteldheid

Het gehele land is bergachtig en telt vijf vulkanen, waarvan ik slechts de Woensen [Wunze] in de provincie van Simabara, een paar dagreizen van Nagasakki, gezien heb. Er gaat geen jaar voorbij, waarin niet door uitbarstingen en aardbevingen zeer grote verwoestingen en overstromingen worden aangericht, die soms zo lang aanhouden, dat de inwoners er het land om verlaten, of dagen achtereen, uit vrees voor de aardbevingen, hun huizen ontvluchten, en zich in de open lucht een hut of een afdak bouwen, zoals in het jaar 1784 op Decima het geval was, toen de nabijgelegen berg van Simabara zo aanhoudend braakte, en daarna door zware aardbevingen werd gevolgd, dat de Hollanders op Decima, gedurende enige dagen, zich op de beschreven wijze in de open lucht ophielden. Ik heb meermalen aardbevingen bijgewoond, die zo sterk waren, dat zijn spiegels en schilderijen in beweging brachten, en wel 5-10 seconden aanhielden, hetgeen wel tot vijf à zes maal daags, doch in een veel mindere graad herhaald werd. Zelfs werd het op onze schepen, die met dit stille weer zonder de minste beweging in de baai lagen, gevoeld, wat toe te schrijven was aan een ruk, die het anker door de trilling van de grond kreeg, wat natuurlijk aan het schip werd doorgegeven. Het gevoel van een aardbeving maakt de eerste keer een zeer onaangename indruk, en jaagt de mensen een zware schrik aan, waardoor het niet geheel ongelijk is aan de werking van een elektrische schok. Zelden voelt men aardbevingen dan bij zeer stil weer, men zou bijna zeggen, dat de natuur voor die ogenblikken stilstond, om dit verschijnsel nog ontzaglijker te maken.

donderdag 28 april 2011

de gegoede ingezetenen maken gebruik van uurwerken, waarvan het samenstel sol wel naar de Europese gevolg zal zijn, maar welke een andere tijd verdedigen, die niettemin naar de middagzon wordt geregeld. Zij verdelen de dag in 12 uren, die eigenlijk de namen voeren van de hemel tekenen, maar in de telling een vreemde aanwijzing hebben. Zo wordt, als het middag is, en wij het 12 uur rekenen, bij hen negen geteld. Om een uur, half negen, om twee uur, half acht, 3:00 is bij hen 7:30; 4:00 is bij hen 7:00 enzovoort, totdat wanneer het middernacht is en wij weer zeggen dat het 12 uur is, terwijl het in die afdaling hij hen drie uur zou moeten worden, zij weer met negen beginnen. Wat hiervan de reden is, weet ik niet; want de Japanners die het mij hebben willen uitleggen, schenen hiervan de oorzaak te gebrekkig te kennen, om er de ware oorsprong van te kunnen opgeven. Hoe zonderling deze wijze van term ook mag zijn, het kan geen onregelmatigheid in de tijd verdeling teweegbrengen; maar er komt iets anders bij, wat hiertoe aanleiding geeft, namelijk: dat men op het ogenblik van zonsopgang altijd zegt dat het zes uur is, en insgelijks zes uur bij zonsondergang, zodat de uren van de dag en nacht naargelang de seizoenen vrij wat van elkaar verschillen; hetgeen tegemoet wordt gekomen, door de slinger van het uurwerk te verlengen of te verkorten. Met zonsopgang, op de middag en bij zonsondergang wordt men in de tempel door een zware klok de tijd aankondigen om à en bij tussenpozen de volle uren slaan, hetgeen voor de ingezetenen voldoende is om de dag te verdelen, en de ambachtsman te waarschuwen, dat het tijd is om aan het werk te gaan of daarvan te rusten, teneinde ongestoord die uren vreedzaam met zijn familie en vrienden door te brengen

woensdag 27 april 2011

Het is de reizigers door allerhande kaarten en tarieven makkelijk gemaakt, om zonder verder aanbeveling of kennis het ganse land door te trekken. Men vindt daarop met alle nauwkeurigheid aangetekend, welke betalingen of verplichtingen gevoerd kunnen worden, afstanden, overvaarten, voorname tempels, herbergen, feesten en andere belangrijke reden, die een vreemdeling nuttig en aangenaam kunnen zijn, en hem voor alle knevelarij en twist vrijwaren.

Het algemene punt waarvan alle afstanden gerekend worden, is de Nipon bassi of of de brug van Japan, midden in de hoofdstad Jedo gelegen, die wel niet juist het centrum van het rijk uitmaakt, maar als zodanig gehouden wordt ten behoeve van de regelmatigheid.


Het is onbegrijpelijk, hoe soms twee of drie personen het kunnen uithouden om een man in zijn norimon of draagstoel en kleine noodwendigheden die te samen wel op een gewicht van 125 Nederlandse pond worden gerekend, op één dag 8-10 mijl [Japanse mijl = 3.9 km] (een Japanse mijl te land mag veilig op 1:00 gaans gerekend worden) afstand te kunnen vervoeren; want veel mensen die niet door de posterijen bediend willen worden, omdat hun dit duurder te staan komt, huren twee of drie dragers soms voor een reis van 50 mijlen in ééns af, en volbrengen die in een bepaalde tijd met dezelfde mensen. Die mensen hebben 's avonds en vooral met slecht weer in bergachtige streken, een zure kostwinning, omdat de wegen steenachtige en ongelijk zijn, en zij geheel in het donker door moeten lopen. Wanneer de regen hun belet de fakkels of de papieren lantaarns aan te houden, doen zij er soms de drie keer zo lang over, en dit zou iemand er vaak toe moeten brengen om te besluiten, [uit te stappen en] om op zijn voeten de nachtherberg op te zoeken.

dinsdag 26 april 2011

De manier van reizen in dit land van de ene plaats naar de andere, gaat niet zo snel als in Europa; maar niettemin is het postwezen op een niet minder geregelde voet, dan alle andere publieke instellingen. Hoewel het land bergachtig is, zou evenwel zeer goed gebruik gemaakt kunnen worden van rijtuigen, als was het maar voor de horizontaal liggende wegen. En of het nu is toe te schrijven aan hun voorliefde voor oude gewoonten, of dat het in het belang van de gewone man wordt geacht om het vervoer over land alleen op schouders te doen, het is zeker dat de Japanners er plezier in hebben om zich op deze langzame maar zekere manier door hun hele land te verplaatsen, en het paard als lastdier gebruikende, net zoals dragers, in een vaste tred naar de bestemde plaatsen van het land te zien trekken.

De posterijen zijn een staatsinrichting, waarvoor iedere Landsheer in zijn gebied moet zorgen, en die op alle grote wegen door ambtenaren wordt vervuld. Naarmate van de moeilijkheid van de weg, zijn de stations van anderhalf tot 4 uur gaans van elkaar verwijderd. In de poststations kan men van dragers en paarden verwisselen, en als men het wil in weinig minuten zijn reis vervolgen, maar de beleefdheid en gedienstigheid van de schone dienstmeisjes in de vertoefhuizen houden de reizigers meestal wat op, om zich met thee of spijs te verversen.

Aan een grote optocht gaan altijd treinmeesters of bezorgers vooraf, en maken dat de benodigde hoeveelheid mensen en paarden gereed zijn. Zeer zelden is dit alles niet in de volmaaktste orde, maar meestal loopt het zonder veel geraas of beweging af, waarover ik in het deel over de Hofreis, meer nauwkeurige berichten zal geven. Langs de kusten en op alle binnenwateren zijn geregelde postvaartuigen aangelegd, om personen en goederen te vervoeren. Deze zijn zodanig ingericht dat zij, bij stil weer of tegenwind, met behulp van riemen altijd vooruit kunnen en zelden een buitengewoon lange reis maken. De briefwisseling geschiedt met dragers die de koffer met de brieven aan een lange stok op de schouders hangen en achter elkaar lopen, met een postbediende daarnaast, die op het eerstvolgende station de hem toevertrouwde commissie in handen van zijn vervanger overgeeft, op welke wijze er dagelijks een afstand van meer dan 20 uur wordt afgelegd. Een vlag met het keizerlijk of een ander wapen, dat op de koffer wappert, is een teken, waarvoor iedere voorbijganger moet wijken, en dikwijls ook gebruiken zij bellen om zich ‘s avonds te laten worden.

maandag 25 april 2011

Wanneer men vanaf een berg uitkijkt naar een Japanse stad, kan men het best de regelmatigheid van haar verdeling zien, en levert zij in al haar eenvoud een van de schoonste uitzichten op. De witte muren en zwarte daken doen alles zeer eenvormig lijken, en maken, dat men dit uitzicht met dat van Kaapstad zou kunnen vergelijken, dat door de reizigers die haar op een grote afstand bekijken wel vergeleken wordt met een kaartenhuis.

Omdat de Japanners geen schoorstenen in hun huis gebruiken, kan men het vooral aan de gebrekkige wijze van stoken toeschrijven dat er zo dikwijls brand uitbreekt. Branden hebben hier door de lichte wijze van bouwen nog veel schadelijker gevolgen dan in Europa. Niet zelden verbranden hele straten, wanneer de wind sterk genoeg is, om het vuur over te laten slaan naar belendende huizen, ondanks het feit dat de brandblusmiddelen heel snel ter plaatse worden aangevoerd. Iedere wijkmeester heeft, behalve de pompen en andere gereedschappen, altijd enige emmers met water gevuld staan op een piramidevormige stellage voor zijn huis en tevens een grote hoop zand, waarvan zij zeggen dat het een niet minder nuttig middel voor de blussing van de brand is.

Men zegt dat in de grote steden, vooral in Jedo, vooral mensen uit de lagere klassen zich dikwijls schuldig maken aan brandstichting, om dan gelegenheid te hebben om tot stelen, of om voor zichzelf werk te verschaffen door het opruimen en het opnieuw opbouwen hetgeen snel moet gebeuren en daarom een hoger dagloon beloofd. Het is verbazingwekkend dat zij de moed hebben, om die misdaad te plegen, omdat hiervoor alléén, meer doodvonnissen worden geveld, dan voor alle andere misdaden tesamen, en even buiten de stad de gerechtplaats voortdurend de overblijfselen vertoont van misdadigers die, zonder genade, voor dit feit levend worden verbrand.

zondag 24 april 2011

Zoals de wegen overal bezaaid zijn met herbergen of vertoefhuizen, om uit te rusten of te huisvesten, zijn de steden daarvan niet minder rijkelijk voorzien, terwijl dezelfde aldaar veelal ontzettend ruim een uitgestrekt zijn, omdat een Landsheer, die op doorreis is, al gauw 100 en meer personen in zijn gevolg heeft. Alleen de gewone reizigers worden afgezonderd in kleine herbergen. Voor het overige strekt een brief of stedelijk getuigschrift tot voldoende aanbeveling voor de pelgrims of de behoeftige reiziger om zich bij de tempels aan te melden die daartoe bijzondere gebouwen onderhouden, en hen evenals sommige Europese kloosters kost en huisvesting geven. Een burger is desnoods voor zes stuiver per dag op reis gespijzigd en gehuisvest. De boeren of vreemdelingen hebben bepaalde vaste dagen waarop zij waren in de steden ter markt mogen brengen, en verschaffen daar een overvloed die op het eind van de dag voor verminderde prijzen ook te geringe man voorziet. Kwakzalvers met wonder-medicijnen, horoscoop trekkers (verlopen priesters), zoetelaarsters en kunstenmakers maken dit verzamelpunt dikwijls tot een kermis, waar desalniettemin een goede orde heerst, en bovendien iedereen tegen alle overtredingen gewaarschuwd wordt door grote plakkaten met hetzij keizerlijke of stedelijke bevelen, of door grote letters op steen of houten borden,. Doorgaans is er dicht bij het huis van de Gouverneur of Stedehouder een pui of een gevel, afgesloten door een steen of een houten traliewerk waar de keizerlijke plakkaten en hoge bevelen worden aangepakt of uitgeschreven, en een hoge of verheven plaats, die men wel een schavot zou kunnen noemen, die afgedekt is , en met een stenen of houten traliewerk is omgeven, vanwaar de publicaties van de hand van de magistraat luid worden afgekondigd. Zo vindt men ook langs de straten hier en daar afgodsbeeldjes die behoren tot de Busdo sekte op stenen voetstukken, of in kleine cellen of tempeltjes, die op zekere feestdagen 's avonds worden verlicht, en aan welke ook enige bloemen en rijst worden geofferd.

In de bergachtige streken wordt het verse water evenals in Duitsland door fonteinen of waterleidingen verkregen; doch anders maken zij evenzeer gebruik van pompen en regenbakken of grote martevanen, dat zijn grote stenen potten, die in het landschap Fizeeng worden gebakken, en tot twee okshoofden [inhoudsmaat, ca 220 liter?] water bevatten. Dit is een artikel dat ook jaarlijks wordt uitgevoerd om er op Batavia drinkwater in te bewaren waartoe zij bijzonder geschikt zijn.

zaterdag 23 april 2011

Uit de Algemene inleiding

Het is bijna niet mogelijk een vreemdeling een idee te geven van de grote hoeveelheid winkels, en hem de aangename aanblijk van die magazijnen te doen beseffen, die allersierlijkst en zindelijk gerangschikt open en bloot aan de straat, zoveel mensen lokken, om aan hun kooplust of nieuwsgierigheid te voldoen.

De ambachtslieden die hun nering mede aan de straat uitoefenen, beginnen hun arbeid bij het krieken van de dag en zijn zeer ijverig in hun broodwinning, terwijl de vrouw voor het huishouden zorgt, en met weven of een andere bezigheid nog enig onderhoud wint.

De stille of particuliere woningen zijn dicht en hebben vaak de vensters voor het onderste gedeelte met houten latten of tralies beschoten. Aan de huizen van aanzien vindt men een voorplaats of bassecour, die rondom met een muur of een houten beschutting van de straat is afgescheiden. Dit voorplein behoort met éénvormige keistenen belegd te zijn, en dient tot een vertoefplaats voor het gevolg van iedere hoge beambte, waarbij gewoonlijk een loods of een ander bijgebouw met brede luifels dient om een schuilplaats te geven aan de draagstoelen en bedienden. Japanners kennen geen olieverf, en ook geen gebakken steen, maar door een compositie van klei tussen houten ramen gekneed en daarna bestreken met een verfijnde specie in kalk gemengd, krijgt het toch het aanzien van stenen muren, die veelal met een schutting van planken is beschermd tegen regen en lucht. De daken zijn met pannen belegd, net als in Europa, en bij de boeren met stro of spaanders bedekt. Daar Hierna, onder het hoofdstuk van de huishouding, zal ik de verdere richting van de woningen verklaren.

vrijdag 22 april 2011

Toen wij op de 22ste april onze reis voorzetten, ontmoeten wij een paar mijl verder in Omoer [Omuro] de twee zoons van de Landsheer van Nagatz, die zich hierheen hadden begeven om ons aan de binnenkant te ontmoeten, waartoe zij wellicht in Jedo geen geschikte gelegenheid voor hadden gevonden. De oudste beantwoorde ons compliment zeer minzaam, daarbij de Hollandse woorden uitsprekende: "Eerstemaal gezien", wat bij de Japanners in hun taal een term is, die zijn meestal gebruiken, wanneer men elkander voor de eerste keer ontmoet. De genoemde jonge prins had ook de Hollandse bijnaam van MAURITS, en scheen net als zijn vader, veel met ons land en onze gebruiken op te hebben. Zij hadden een aantal dienaren bij zich, die ons dikwijls in Jedo bezochten, en nu ook afscheid van ons namen.

Wij vervolgden onze terugreis langs dezelfde weg, die wij gekomen waren, maar vonden nu de de schone omgeving en de wilde natuur met het heerlijk kleed versierd, dat alleen aan de zomer eigen is. In Harra bezochten wij nogmaals het fraaie verblijf en de tuin, die reeds tijdens de heenreis zoveel schoons beloofde, hetgeen nu door de verscheidenheid van fraaie bloemen en door een heerlijke lommer werd verwezenlijkt.

In Kakigawa bezichtigen wij het graf van het Nederlands opperhoofd Hemmy, bij de tempel Tennenzi, waar een fraaie zerk stond met een Hollands opschrift omringd door een stenenhek, dat was vervallen net als de grond er omheen, en waarvoor onze gezant een jaarlijkse bijdrage tot onderhoud levert.

donderdag 21 april 2011

De 21ste april. Het werd vier uur in de namiddag eer wij uit de drukte raakten. De beweging in en buiten het huis was boven alle beschrijving, en toen wij op de straat kwamen waren wij verplicht de norimonds te sluiten voor de grote toeloop van de mensen die elkaar verdrongen om de Hollanders te zien, niettegenstaande de harde middelen, die gebruikt werde door de wacht die ons begeleidde tot afwering van het handgemeen. Dichtbij het paleis van de vorst van Sadsuma gingen wij uit de norimonds en wandelden erlangs, om de familie van die achtenswaardige grijsaard te begroeten, die zich samen met de Landsheer voor dat doel aan de ramen vertoonde. Om omstreeks half zeven kwamen wij in de voorstad Sinagawa, waar wij opgewacht werden door onze vrienden uit Jedo, die de avond hier bij ons doorbrachten en afscheid kwamen nemen.

woensdag 20 april 2011

Het zijn vooral de tempels, die zich het eerst van de overige gebouwen onderscheiden. Meestal gelegen op heuvels, in een fraai lommer, leveren die grote gebouwen een rustige verwachting op van de plaatsen, waartoe zij behoren, omdat de Japanners daaraan veel kunst en sieraden besteden. Wanneer de stad de residentie is van een vorst, dan is hij omgeven met grachten en wallen, met bolwerken en torens van 3-5 verdiepingen hoog, en voorzien van geduchte poorten, om de vijand af te weren. De meeste plaatsen zijn slechts van twee of drie kanten toegankelijk, dat is van de zijde der grote wegen, en overigens door eenvoudige grachten omsloten en hagen omringd. De ingang is, net als de wijken in de steden, alleen afgesloten met een eenvoudig hekwerk, en wordt bewaakt door een wacht. Verschillende steden zijn doorsneden met rivieren of grachten. Hardstenen bruggen verbinden de grootte en brede straten.

De straten zijn zeer regelmatig, en de gevels moeten op een lijn geplaatst worden. Ook mogen de huizen niet meer dan een verdieping hebben, het dak uitgezonderd, omdat kastelen en vestingwerken zich dan meer kunnen onderscheiden.. Men is ook verplicht de voetpaden voor zijn huis met grote uitgehouwen stenen te onderhouden, en voor het schoonhouden te zorgen. De gehele grond is op de meeste plaatsen met platte stenen belegd of met steen of grind tot een harde gelijke vloer aangestampt. Over het algemeen vertonen de huizen uitwendig weinig versiering, omdat de Japanner het gedeelte dat aan de straat uitkomt voor zijn bedienden en als werkplaats heeft ingericht, en het achterste gedeelte, met een tuin tot zijn verblijf, zo aangenaam en gemakkelijk mogelijk, betimmerd.

dinsdag 19 april 2011

Uit de Algemene inleiding
In het algemeen zijn de steden of plaats in Japan zindelijk onderhouden; maar de ligging en welvaart verschilt te veel van de ene stad met de andere, om ze al even fraai te noemen.

In een bergachtig land als Japan vertonen de meeste plaatsen zich in de heerlijkste ligging aan de rivier- of zeekant, meren of andere binnenwateren, die bevorderlijk kunnen zijn voor het vertier en de handel. De bergen zijn evenzeer bewoond als de dalen, en zelden ziet men een landschap waarin men niet verschillende steden, dorpen en gehuchten kan tellen. Het zijn niet, zoals in Europa, de hoge torens die het eerst de nabijheid van de stad aankondigen, maar het gewoel en de drukte langs de wegen, zodat het dikwijls lijkt alsof de hele bevolking dagelijks naar buiten stroomde om van de mooie omgeving te genieten. Behalve in de steile gebergten, zijn de wegen met zeer veel zorg onderhouden, en meestal heel breed, opdat de grote optochten van Prinsen en vVazallen elkaar ongehinderd kunnen voorbijtrekken. Ze bestaan vaak uit de fraaiste lanen van sparren-, ceder-, kastanje- of kersenbomen, en in de vlakke streken, waar meestal rivieren of binnenwateren naar de volkrijke plaatsen stromen, wordt dit aangename toneel nog door het gestadige vertier van vaartuigen verlevendigd.

maandag 18 april 2011

Voor wij het eiland Decima verlaten, moeten wij nog een andere plek bezoeken, die van belangs is voor de Hollanders; dat is: de rustplaats van hun doden, of de begraafplaats, gelegen op Inassa, aan de overzijde van de baai bij de tempel van Dinant. Dikwijls gaan wij op onze wandelingen daarheen, en komen nimmer op die plaats, zonder bevreemd en getroffen te zijn door de hereniging aan de nagedachtenis van onze vrienden, die hier door fraaie grafzerken en monumenten, met Hollandse opschriften, onder zulk een menigte van Japanse graven in aandenken worden gehouden. Men vindt weliswaar de meeste van onze graven niet ver van elkaar verwijderd, maar toch gemengd tussen de Japanse, en dit is alweer een bewijs, dat de Japanners niet zo kleingeestig zijn als zij schijnen, want zij zouden net zo goed van ons kunnen eisen, deze overblijfselen van vreemden naar een ver afgelegen plaats te vervoeren, of hen, zoals vroeger gebruikelijkwas, een zeemansgraf te geven. Integendeel, de priester van die tempel, die een nauwkeurig register van de aldaar begravenen bijhoudt, doet zijn dienst voor de overlevenden Hollanders net zozeer als voor de gestorven Japanners, men vindt op de graven dikwijls offers van bloemen, rijst en water; ook worden deze goed onderhouden, waarvoor jaarlijks een kleine gift aan de genoemde tempel wordt gegeven. Wanneer een Hollander in Japan sterft, wordt hij door de Opperbanjoost vóór de begrafenis geschouwd, en in tegenwoordigheid van de Onderbanjoosten gekist. Als hij het eiland rondgedragen is, gevolgd door de aanwezige Europeanen, zet men het lijk in een sloep, hetzij aan de waterpoort, of in de stad aan de zogenaamde mosseltrap, en twee of meer vaartuigen vergezellen de begrafenis. De priester, met twee van zijn onderpriesters, ontvangt het lijk aan de ingang van de tempel, en leidt de stoet naar het graf, waar een tafeltje in gereedheid is gebracht, waarop twee vazen staan, waarin welriekende pitten aangestoken zijn, alsmede twee borden banket, en een klein bekken. Als de kist op de rand van het graf is geplaatst, gaat de priester ervoor staan en vóór het genoemde tafeltje, en doet een luid gebed; de jonge priesters slaan tussendoor op het bekken, en eindelijk geeft hij met een staf die hij in de hand houdt drie slagen op de kist onder het herhaald uitroepen van Namur Amida outs! hetgeen betekent: “God AMIDA bidt voor hem.” Hiermee eindigt de plechtigheid, en de priester neemt de twee flessen arak, twee lange pijpen, en het zwarte satijnen kleed, waarmee de kist bedekt was, hetwelk hem volgens oud gebruik wordt aangeboden, in dank aan.

zondag 17 april 2011

Het feest duurt verschillende dagen, maar de 9de en 11de dag van de maand Kfoeguats [Kuguats] zijn de plechtigste, en dan staan alle bedrijven stil. De geringste koelie is dan als een heer, en in plechtgewaad gekleed, en alle huizen worden met schutsels [panelen] en tapijten versierd, en van buiten met schanskleden behangen, waarachter de vrienden elkaar onthalen, en van 's morgens tot 's avonds feesten met eten, drinken en muziek. Het valt gewoonlijk iedere inwoner om de vijf of zes jaren te beurt, dat zijn straat in dat kostbare feest moet delen, en het is onbegrijpelijk, hoe er zulke grote verteringen goedgemaakt kunnen worden, omdat er slechts enkele stukken van het voorgaande jaar worden gebruikt, maar overigens al wat kleding en opschik betreft, nieuw en van de beste stof wordt aangekocht. Deze godsdienstige plechtigheid wordt dus, even als alle andere, in Japan met algemene vreugde gevierd, doch zo eenstemmig en met onderlinge verdraagzaamheid, lust en orde, dat men met de Japanners moet instemmen, dat de goden niet aangenamer kunnen worden vereerd of gediend; en ik mag er bijvoegen, dat het Matsuri feest zoveel bijzonderheden en verscheidenheid bevat dat een uitvoerige en nauwkeurige beschrijving daarvan de beknoptheid van dit werkje zou overschrijden.

zaterdag 16 april 2011

16 april (Vervolg Hoofdstuk Deshima)
Na dit gevolg komen de toneelkunstenaars; in een ogenblik plaats men twee à drie banken, elk van een mat grootte, naast elkander, en daarop enige schermen en decoraties en de acteurs vertonen, onder het geluid van samsies, trommels en andere muziekinstrumenten, een schouwspel dat niet langer dan een hoofdkwartier duurt, maar, zo wel in spraak, gebarenspel als gevoel, zeer ongedwongen en met geestdrift wordt voorgesteld. Als dit afgelopen is, volgt er een grote groep muzikanten, norimonds, bedienden en familieleden, die bij de kinderen horen en die de stoet afsluiten, en weer plaats maken voor de volgende.
De eerste opvoering geschiedt voor de strohut, die hiervoor genoemd is, ter ere van de God SUWA, en rondom het plein zit een menigte toeschouwers, waaronder ook de leden van de regering en de Hollanders elke afzonderlijke stellages hebben, om dit feest bij te wonen. De opvoeringen geschieden op verschillende punten van de stad, en de 11 of 12 treinen volgen elkaar altijd geregeld, zonder dat er ergens enige wanorde optreed, niettegenstaande de grote menigte mensen die dit feest bijwonen. Om 7 uur 's morgens begint de eerste stoet of optocht, en het is gewoonlijk 12 uur op de middag, voordat de laatste heeft gespeeld, en tot laat in de avond ontmoet men nog dezelfde treinen in een ander gedeelte van de stad, zodat men niet hoeft te vragen of de krachten en vermogens van deze kinderen op de proef gesteld worden.

vrijdag 15 april 2011

15 april
Gedurende ons verblijf gebeurde het verschillende malen dat er brand uitbrak, en op een zekere avond gebeurde dit onheil tegelijkertijd op drie punten van de stad, hetgeen wij vanaf een platje, dat boven op het dak van ons huis was, zeer duidelijk konden zien. Een van de brandende straten was niet ver van ons verwijderd, maar daar dat men berekend had, dat de brand door de windrichting ons gebouw niet zou kunnen schaden, maakte men men zich verder niet druk om de gevolgen, en men verhaalde de volgende dag, dat er slechts één straat was afgebrand hetgeen men als een goede afloop beschouwde.

Gedurende de laatste dagen van het verblijf ontvingen wij aanhoudend bezoek, zelfs tot aan de morgen van ons vertrek, hetgeen uiteindelijk afgesloten werd door de afscheidsgroeten van de secretaressen van de Nagasakische en Jedosche Gouverneurs.

donderdag 14 april 2011

14 april
Hoe lastig ook deze dienstplichtige bezoeken zijn, moet ik bekennen, dat wij ons verblijf in Jedo alleraangenaamst doorbrachten onder het afwisselend gezelschap van de zogenoemde Hollandse vrienden, tot welk in het bijzonder die geleerde behoorden. Ook de familie van onze hospes GENGEMON, en de Opperbanjoost zowel als de tolken SINSAYMON en SAKFSABRO, droegen veel daaraan bij, omdat zij zeer oogluikend en inschikkelijk waren omtrent alles, wat bij ons omging, terwijl wij, in het tegenovergestelde geval, zeer vervelende dagen in Jedo zouden hebben moeten doorbrengen.

De Opperbanjoost en de hospes onthaalden ons op een buitengewoon keurig gastmaal, waaraan kosten nog zorg gespaard waren, om ons een idee te geven van de Jedosche weelde en étiquette. Veel van de zogenoemde Hollandse vrienden verschenen bij die gelegenheid in Hollandse kleding, die van oude tijden allengkens was bijeen gebracht, en, te samen genomen, een allerkoddigst geheel opleverde. Zij gaven ons door dit alles, zowel als door menige bereidwillige diensten, de ondubbelzinnigste blijken van vriendschap en genegenheid, en ik geloof zelfs, dat men wel iemand zou hebben kunnen overhalen, om ons in Japanse kleding 's avonds door de stad te leiden, indien men het niet voor ongeoorloofd had gehouden, zulke brave lieden aan de gevaren bloot te stellen, die het ontdekken van zo’n overtreding der wet voor hen ten gevolg zou kunnen hebben. Want zonder dat men enig geweld of de minste mishandeling te vrezen had, zou de toeloop van mensen, in zo’n grote stad als Jedo, de grootste verwarring en moeilijkheden kunnen veroorzaken. Wij ondervonden dit reeds, wanneer wij ons vertoonden aan de ramen, die op straat uitzagen, en men, daar men noch door politie, noch door geweld, de menigte kon keren, toevlugt moest nemen tot het vriendelijke verzoek, om ons niet langer te vertonen.

woensdag 13 april 2011

De 13de en 14de kwamen op dezelfde wijze als de vorige dag, de keizerlijke sterre- en natuurkundigen, met enkele geneesheren. Omdat het Opperhoofd, door onpasselijkheid dit bezoek niet kon ontvangen, moest ik zijn plaats innemen, en kon niet anders dan hen ten antwoord staan, hoe moeilijk het ook was, om in die door mij onbeoefende vakken aan de weetgierigheid van zo veel kundige mensen te voldoen. De punten van onderzoek gingen voornamelijk over de uitvindingen en de werking van de controleur, barometer en thermometer, de tijdrekening, het kompas, de lengte op zee, de loop van zon, maan en sterren en andere fysische en mathematische onderwerpen, waaromtrent ik, minder door eigen kunnen, dan wel door de toevlucht tot enige boeken, voor dat doel meegenomen, hun enigermate kon voldoen. Gelukkig waren deze geleerden ook grote liefhebbers van het ondermaanse, en toen het mij lukte, om hun aandacht op de likeuren en confituren te bepalen, liep de bijeenkomst eervol voor mij af.

dinsdag 12 april 2011

De 12de april hielden wij een zitting voor het college van keizerlijke artsen, welke altoos eenmaal aan de buitenkant, in tegenwoordigheid van de Opperbanjoost worden ontvangen. Zij waren zestien in getal, en hielden ons ongeveer vijf uur bezig met allerlei vragen, meestal over hun vakgebied, en over het algemeen zó beredeneerd, en met wederleggingen op de antwoorden, die onze doctor hun graf, dat deze met recht moest toestemmen dat zijn kunde op de proef was gesteld.

zondag 10 april 2011

10 april
bij het afleggen van de audiëntie hadden wij de gelegenheid, om een gedeelte van de stad te zien, onder andere de Nipon basi of brug van Japan, vanwaar alle afstanden in het Rijk worden gerekend; deze brug ligt overeen smalle rivier, die door de stad loopt, en heeft verder niets merkwaardigs, dan dat zij is ingewijd door ene grijsaard van 143 jaar oud, genaamd SAMASAKIE SJESAYMON, die deze brug het eerst overging, als een zinnebeeldige voorspelling van de duurzaamheid van die stichting. Zijn vrouw was 139 jaar; zijn zoon, ZESO genaamd 112, en de vrouw van zijn zoon 109 jaar; de zoon van deze laatste was 92 en zijn schoondochter 89 jaar; deze hadden weer een zoon van 70 jaar, terwijl zijn vrouw 69 jaar oud was, die hadden weer een zoon van 41 en een huwbare dochter van 39 jaar. Dit alles was zeker een buitengewone samenloop [van omstandigheden], hoewel het overigens niet vreemd is, in Japan mensen te vinden die de ouderdom van 100 jaar bereikt hebben.

zaterdag 9 april 2011

De 9de gingen wij in de zelfde orde als de 6de, uitgezonderd dat wij nu in het zwart gekleed waren, ter afscheidsaudiëntie bij de Keizer en de Kroonprins, waarbij het Opperhoofd de gewone geschenken van zijden geschenkrokken ontving, en bovendien een buitengewoon geschenk van 120 schuitjes zilver die samen een waarde van 500 theilen hadden. Ook weerde aan onze gezant bij de Keizer enkele reglementen voorgelezen, die wij in ons verkeer met de Japanse natie moeten nakomen, en nadat dit plechtig gehoor was afgelopen, ontving het Opperhoofd in het logement de gezanten van de Rijksraden, Tempelheren, Gouverneurs, enz., die in naam van hun heer en meester's afscheid kwamen nemen, en kwamen bedanken voor de aangeboden geschenken. Als tegengeschenk boden zij ons elk enkele zijden kabaaijen aan, die echter van een mindere kwaliteit waren dan die welke door de Keizer geschonken werden.

vrijdag 8 april 2011

8 april
De volgende dag werd op dezelfde manier als bij de Rijksraden een bezoek bij de Gouverneur van Jedo afgelegd, waar wij ook door de secretaris werden ontvangen, en op Japanse manier op sakki en warm eten onthaald werden. Daarna hadden wij nog een audiëntie bij de twee Tempelheren. De Gouverneur van Nagasakki kon ons niet ontvangen, waarschijnlijk omdat hij zeer eenvoudig gehuisvest is, en hier, onder het grote aantal van grote Heren, zijn geringe staat voor ons wilde verbergen. Inderdaad zagen bij het paleis van de Keizer dezelfde man, die zich in Nagasaki zo sterk doet gelden, hier als een bediende ronddraven, waardoor hoe langer hoe meer wij vroeger gemaakte opmerking bevestigd werd, dat werkelijk alleen de hogere standen in Japan, waar onder ik voornamelijk reken diegenen die aan een hoofse dienst zijn gebonden, als slaafs beschouwd moeten worden.

donderdag 7 april 2011

7 april

Van hier vertrokken wij naar het paleis van de kroonprins waar dezelfde ceremonie plaatsvond, doch niet voor de kroonprins zelf, maar voor drie daartoe benoemde Rijksraden. Het paleis van de Nisnomar of kroonprins is fraai gelegen op een heuvel, waar men zich enigermate een denkbeeld van de uitgestrektheid van het keizerlijk paleis kan vormen, maar geenszins van de stad, waarvan onze ogen het einde niet kon bereiken. Wij zouden ons heden zeer goed met de afgelegde complimenten kunnen tevredenstellen; maar toen begon pas de lastige en zeer vermoeiende audiëntie bij 13 Rijksraden, die ook alle binnen de muren van het paleis wonen. Zij lieten ons overal door hun Gokaro’s of secretarissen ontvangen, met de verontschuldiging, dat die Heren nog in het paleis waren. Maar het is meer waarschijnlijk, dat zij achter de schuiven zaten te gluren om ons des te vrijer te kunnen opnemen. Er was althans achter de schermen zoveel beweging en gedrang, dat wij met zekerheid moesten veronderstellen dat er een aantal mensen verscholen zaten, om ons te zien. Bij een van die bezoeken met dit vermoeden tot zekerheid gebracht, omdat er plotseling een schuif bezweek, en er een heleboel vrouwen voor de dag kwamen, die ook even schielijk wisten te vluchten, en zeker veel op hun rekening hebben gekregen omdat ze op die wijze de étiquette van onze ontvangst hebben geschonden. Bij elk van deze bezoeken werden pijpen, tabak, groene gemalen thee en grote borden met banket voor ons klaargezet. Het laatste werd door de Japanners zorgvuldig ingepakt, en in onze hassambakko’s meegenomen. Men vroeg op verschillende plaatsen om de hoed en de degen van het Opperhoofd en onze horloges te mogen bezichtigen. Terwijl ik de aangename plicht had om bij ieder bezoek enige vellen papier met roodaarde [rood krijt] te beschrijven, wat mij, behalve door de vermoeienissen van de dag, ook door de zittende houding op de matten tenslotte vooral zeer moeilijk, ja bijkans onmogelijk werd. Het was half tien 's avonds toen wij van deze eervolle plichtplegingen thuiskwamen, en toen moesten wij nog een aantal bezoeken en gelukwensen afwachten, als was het of men door complimenten onze krachten en gezondheid op de proef wilde stellen; want het werd op het laatst een koortsachtige beweging, waaronder menigeen bezweken zou zijn.

woensdag 6 april 2011

De 6e april. Heden was de afgesproken dag voor de plechtige auditie bij de Keizer van Japan. De vorige avond ontvingen wij nog een statig bezoek van de Opperbanjoost, om ons dit te herinneren, met de aanbeveling, om 's morgens om 6:00 in het paleis te zijn. Wij gingen inderdaad tegen dat uur van huis in groot kostuum, en met ons gevolg in complimentgewaad. Het Opperhoofd is bij deze gelegenheid alleen in het fluweel gekleed, en heeft, de grote Pajong [Parasol] een degen, twee hassambakko’s, met dikke koorden en kwasten, en wij (Scriba en Doctor) elk een hassambakko, welke aan een lange steel door een man gedragen wordt, en naast de norimonds gaat het dubbel aantal der bedienden, die men gewoonlijk heeft. Na weinige minuten gaans kwamen wij aan een hoge muur en over een brug door de eerste poort van het gebied van het keizerlijk paleis, alwaar wij een grote wacht vonden, terwijl wij aan wederzijde van de brede wegen grote gebouwen zagen, welke uitwendig even eenvoudig als andere Japanse huizen, toch hoger opgetrokken waren.

Aan de tweede brug komende, gingen wij uit de norimonds en te voet tot aan de derde brug en kwamen voorts door een grote poort en langs een statiewacht. Van deze laatste poort af moesten wij blootshoofds gaan, waarom wij de hoeden aan onze bedienden gaven. Verder kwamen wij nog door verscheidene brede straten, tot aan de zogenaamde wacht van honderd man, recht tegenover de laatste poort van het eigenlijke verblijf van de keizer. In deze wacht kregen wij een vertrek om te vertoeven, totdat de Rijksgroten, die op deze audiëntiedag verwacht werden, binnengekomen zouden zijn. Intussen ontvingen wij hier bezoeken van de Gouverneur van Nagasakki, van de Commissarissen der vreemdelingen en van de commandant van de wacht, die ons op de Japanse wijze complimenteerden. Gedurende een paar uren, die wij hier vertoefden, zagen wij de optochten die herwaarts stroomden, elk voorafgegaan door enige bezemdragers die aanhoudend schreeuwden Stay! Stay! en de stenen of onreinheid van de weg ruimden. Aan de poort van het paleis stilhoudende gaat alleen de Landsheer of hoge beambte, wie hij ook moge zijn, met zijn secretaris naar binnen, gevolgd door een paar bedienden, die de pajong boven het hoofd dragen, en bij het paleis de sabel en de muilen bewaren.

Eindelijk werd het ook onze beurt, en daar het juiste regende, kwam het ook te pas, dat onze gezant de grote pajong gebruikte. Wij vonden achter het eerste plein nog een tweede, en daarna een groot voorplein, met eivormige stenen belegd. De drukte en oploop heeft mij in deze ogenblikken weinig meer doen opmerken, dan het grote portaal met een luifel overdekt, dat dient als ingang tot het paleis. Het gebouw zelf ligt op een hoogte, en is, evenals andere huizen, enige voeten boven de grond gebouwd, waardoor men waarschijnlijk van enige punten een fraai uitzicht over de stad moet hebben. Men leidde ons hoeksgewijze langs enige brede galerijen, waarvan de rechterzijde met grote vertrekken was betimmerd, en de linkerzijde gemeenschap had met de open lucht. Men zei ons, dat deze vertrekken de vertoefplaatsen waren van de dagelijks aan het Hof verblijvende Rijksgroten, en ook ons werd een dergelijke zaal aangewezen, die allersierlijkst was betimmerd, en met heerlijke verlakte en vergulde schuiven [=schuifdeuren], matten en zolder [plafond] pronkte. Wij plaatsen ons in een van de hoeken van dit vertrek, nu eens staand, en dan weer op Japanse wijze op de matten neerzittende, maar we werden onophoudelijk bespied door degenen, die dit vertrek voorbijgingen, want de schuiven, die het vertrek van de galerij afsluiten, waren weggenomen. Hier zaten ook twee of drie Keizerlijke dwarskijkers, die op zekere afstanden door het hele paleis de wacht schijnen te houden. Wij kregen hier afwisselend bezoek van onze Nagasakische Gouverneur, van de Commissarissen der vreemdelingen, de Keizerlijke bozen, of kamerpages, en onder andere ook van de Landsheer van Fizeeng, die allen zeer wellevend waren. Maar ook waren er een aantal vrijpostige, vooral jonge lieden, die dikwijls zeer onbeschaamd voor ons kwamen staan, en na ons van nabij beschouwd en van hoofd tot voeten opgenomen te hebben, zonder de minste groet of buiging heengingen, en welke men dan ook niet beter kan straffen, dan door, zonder enige schijn van ontevredenheid, de lange mantel, die men draagt, tot aan de hals toe voor hen te sluiten. Na een uur in dit vertrek te hebben doorgebracht, vergezelden wij het Opperhoofd naar de Audiëntiezaal, waar hem bij de derde pilaar de plaats werd aangewezen, waar het compliment gemaakt moet worden. Dit vertrek was zeer groot, doch eenvoudig, zonder pracht. De geschenken, die door ons meegebracht waren, stonden hier op zindelijke toonborden gerangschikt. Men wees ons recht tegenover de ingang een enigszins verheven plaats, waar de keizer zou verschijnen, aan de linkerzijde van hem de plaatsen van de bloedverwanten en Rijksraden, en zo vervolgens naar rang. Hoewel al wat men dit paleis ziet, uitmunt zowel door keurige en zindelijke betimmering, als door een meer groot voorkomen dan alle andere gebouwen, is dit gedeelte, dat wij zagen, eigenlijk teveel aan de openbare dienst toegewijd, dan dat men aldaar pracht of weelde zou kunnen aantreffen. De sloten en het beslag van de deuren en schuiven waren kolossaal, en het lak-, verguld-, en snijwerk rijk, doch eenvoudig. Wederom in de vertoefzaal teruggekomen, kwam er een zwaar onweer opzetten, wat gelukkig maar een bui van enkele ogenblikken was, daar anders wellicht de audiëntie uitgesteld zou zijn, omdat Zijne Majesteit zeer bevreesd was voor de donder. Omstreeks 11 uur werd het Opperhoofd der audiëntie geroepen. Na een kwartier afwezig te zijn geweest kwam hij bij ons in de vertoefzaal terug. De hele plechtigheid bestond uit het op de aangewezen plaats maken van het compliment op de Japanse wijze, en in die houding enige seconden met het hoofd op de matten te liggen, totdat er geroepen werd: Capitan Holanda! Behalve een zacht gesuis, waarmee de Japanners diepe eerbied inboezemen, heerste er een doodse stilte. De Gouverneur van Nagasakki en de Oppertolk waren de énigen, die het Opperhoofd vergezelden, en hem het teken gaven, dat hij vertrekken kon, hetgeen, evenals bij het inkomen, in een gebogen houding geschiedt, zodanig, dat men wel een aantal mensen ziet, maar, zonder de Japanse wellevendheid te kwetsen, niet kan rond zien naar hetgeen anders de bijzondere aandacht en nieuwsgierigheid zou wekken.

dinsdag 5 april 2011

5 april [27(9)]
Wij ontvingen op die manier bezoeken van de Secretaressen van de Landsheer van Satsuma, die een geschenk meebrachten van 12 fraaie vogels, 15 zeldzame planten, een paar kleine hoenders, een paar konijnen, een paar een waaiereenden, en enige stukken zijden stof, doch alles zo keurig in kooien en dozen, dat de waarde en de kosten daarvan zeker meer beliepen, dan de inhoud zelf. Wij ontvingen ook bezoeken van de Landsheren van Mtasmay en van Tamba, van de Secretaris van de Keizer, Minagawa Sagami genaamd, van de Landsheer van Mito, en voorts een aantal Secretaressen van de Landsheren van Nakats, Firakatta, Owari, Caga, enz., zodat wij over eenzaamheid of verveling niet te klagen hadden.

maandag 4 april 2011

4 april [27(8)]
De Opperhoofds dienaren van Decima, die allen Hollands verstaan, zijn meestal onze onderhandse tolken, en bij zodanige gelegenheden grote Heren, omdat de Landsheren en andere hoge personen, die aan de binnenkant komen, zich eerder van onze dienaren dan van de gouvernements-tolken bedienen. Meestal komen die grote Heren laat in de avond, en zij maken zich niet als zodanig bekend voor de volgende dag, wanneer zij een van hun Secretarissen sturen met een geschenk, om voor de ontvangst te bedanken. Men maakt dan ook bij een dergelijke gelegenheid niet de minste plichtplegingen, en zij komen dikwijls in linnen- of gewone burgerkleren, zoals ook met mensen uit hun gevolg, die, wanneer de Prins echt vergenoegd en vrolijk is, zeer vertrouwelijk worden, en alles opschrijven wat zij van ons verhaal, of de inlichtingen die zijn vragen, willen onthouden. Zij zijn altijd minzaam, onderhoudend en onvermoeibaar in het stellen van allerhande vragen, meestal over onze Europese kunsten, wetenschappen, zeden en gebruiken, of de ligging en regering van Holland en onze Indische bezittingen. Maar zij reppen nooit over hun eigen staatkunde.

zondag 3 april 2011

3 april [27(7)]
Bij deze bezoeken pakten zij menigmaal de koffers met kleren uit, zagen met verwondering hoe alles gemaakt was, en waren zeer nieuwsgierig om te weten, hoe die kleren aan het lijf gingen. Wij bemerken duidelijk hun grote belangstelling en verwondering, en waren dikwijls genoodzaakt om hun het een of ander te geven, of, door bemiddeling van hun dienaren, die zij er op uit stuurden, enige artikelen van waarde over te doen. In ieder geval moesten zij iets ter gedachtenis meenemen, al waren het ook maar een paar Hollandse woorden op hun waaiers, kabaaijen of een stuk papier geschreven. Maar, omdat wij voldoende op deze bezoeken voorbereid waren, konden wij meestal de uitverkorenen met enkele ringetjes of andere kleinigheden gelukkig maken.

zaterdag 2 april 2011

2 april [27(6)]

Het ontbrak niet aan kooplieden of kramers, die ons de schoonste waren aanboden, zelfs tot veel billijker prijzen, en oneindig veel beter, dan wij in Nagasakki gewoon waren. En hoezeer men nooit zogenaamde verboden goederen meebracht, kostte het echter weinig moeite, om die te krijgen. Maar omdat de hospes en de beambten op hun beurt, hun vrienden of kennissen bij ons brachten, konden zij evenmin die kennissen van ons weren die wij graag zagen, en dit maakte, dat wij dikwijls tot laat in de nacht bezoek ontvingen. Vooral de grote personages, die niet dan in het geheim, of aan de binnenkant, belet vroegen, kwamen altijd 's avonds laat. Zelden gebeurde het, dat hierbij niet enig geschenk aan voorafging, meestal bestaande uit stoffen, lakwerken, fijn papier, waaiers, brieventassen, tabaksdozen en pijpen, of Miseratie’s (de verbasterde Japanse naam van het woord zeldzaamheden) omdat zij weten, dat de Hollanders op dergelijke zaken gesteld zijn. Wanneer het geschenk van waarde of belang was, werd hun door het Opperhoofd iets als tegengeschenk aangeboden, hetwelk echter met alle omzichtigheid door een tweede hand moest geschieden, en in het bijzonder was onze gezant er op bedacht, op deze wijze de vriendschap van de Gouverneur en andere beambten, die onze zaken behartigen, voor ons te winnen. Hoewel, volgens de order, bij ons geen vrouwen mochten worden toegelaten, was de toeloop van de schone sekse in deze plaats dikwijls nog groter dan op andere plaatsen. Soms bracht een enkele heer zes dames mee, vooral 's avonds, waardoor de aanzienlijke voorraad van banket en likeuren die wij hadden meegebracht sterk verminderde.

vrijdag 1 april 2011

1 april [27(5)]
Zolang de audiënties bij de keizer nog niet afgelopen waren, had men veel te doen met de sortering en schikking van de geschenken. De extra-geschenken werden afgetekend, elke lap laken werd aan weerszijden verzegeld, en iedere portie op zindelijke toonborden geplaatst, en aldus naar de paleizen in de vertoefzalen gebracht op de dag, dat onze gezant ze kwam aanbieden. De veelvuldige bezoeken van de secretaressen en Gouverneurs-gecommitteerden deden ook blijken, dat zij vol zorg waren voor de aangekondigde dag. Vooral joeg de kleinste ongesteldheid van het Opperhoofd hen grote vrees aan, want het verzuimen van deze plechtigheid, of enige fout tegen de étiquette, wordt de Gouverneur van Nagasakki aangerekend, en het zou deze zeer moeilijk vallen zich te verontschuldigen of zich van de verantwoordelijkheid hiervoor te zuiveren.

woensdag 30 maart 2011

30 maart [27(4)]
Eigenlijk zou niemand tot ons mogen worden toegelaten dan diegenen, die ambtshalve iets bij ons te verrichten hebben, en zou daarvan nog eerst kennis moeten gegeven worden aan de in Jedo verblijvende gouverneur van Nagasakki, maar de Japanse Nayboen of binnenkant is zo heilzaam in dit opzicht, dat ieder, door een kleine aanbeveling aan de hospes of aan onze bediende, wordt toegelaten, en wij dikwijls meer dan ons lief is met bezoeken worden overladen. Het spreekt vanzelf, dat bedienden ons eerst de persoon moeten aanmelden, voordat zij dezelfde binnenleiden. Meestal zijn zij van enige aanbevelingen voorzien, en omdat het moeilijk is hierin enige uitzondering te maken, loopt het vaak zo druk, dat de kamer te klein wordt, en men om weer eens vrij zijn, of van het gezelschap bevrijd te zijn, de zaal voor enige ogenblikken moet verlaten. Toen wij in Jedo aangekomen waren, kregen wij een plechtig bezoek van de Gouverneur MAMYA vergezeld door onze Opperbanjoost. Bij dergelijke gelegenheden en wanneer er hoge beambten ambtshalve komen, maakt men hun het eerste compliment wederkerig op de Japanse wijze, maar daarna bedient men zich van stoelen, en wordt overigens iedereen op Europesche wijze ontvangen.
Ons voornaamste gezelschap was de genoemde ondertolk SAIZURO de geneesheren CASTRAGAWA [Katsuragawa], ook genaamd BOTANI CUS, GENTAK [Ōtsuko Gentako] WOEDAGAWA [Udagawa Genshin], TJOAN [Minato Chōan], de Keizerlijke sterrenkundige, bijgenaamd GLOBIUS, die allen Hollands verstonden, en dagelijks omtrent een of ander opheldering kwamen vragen. Ook waren er verschillende dienaren van de Landsheer van Nagats [Nagatsu], die, net als hun Heer een Hollandse naam gevraagd hadden, en graag bij ons waren, al was het maar om onze gebruiken te leren kennen.

dinsdag 29 maart 2011

29 maart [27(3)]
Omtrent half vijf in de namiddag kwamen wij in Nagasakkya aan, waar wij vier kamers hadden, die, uitgezonderd twee ramen, die op een nauwe straten uitzagen, allen aan de binnenplaats liggen. Het Opperhoofd betrekt er twee kamers, de scriba en de doctor hebben [samen] één vrije kamer, en de vierde is de algemene zaal, ingericht voor de ontvangst van bezoekers, die door de Hollandse stoelen, tafels, tapijt en enkele kleine meubels spoedig een Europees aanzien krijgt. De bedienden hebben hun vertrekken op dezelfde verdieping, en de Opperbanjoost en de tolken, evenals de andere bedienden van de stoet hebben hun kamers in een ander gedeelte van dit gebouw, terwijl de geschenken in een daarvoor ingericht brandvrij [=stenen] pakhuis worden bewaard. Er is geen 305 twijfel, dat het onder de grote hoeveelheid bedienden die ons omringen niet heeft ontbroken aan dwarskijkers of spionnen. Deze dwarskijkers doen zich, vooral in Jedo, onder allerlei vermommingen voor, hetzij als kooplieden, geestelijken of beambten, en men is daarom altijd op zijn hoede, om niemand enig vertrouwen te schenken, dan aan diegenen, die men enigszins heeft leren kennen; hoezeer ik niets zouden weten te verzinnen, wat door drie Europeanen in de korte tijd, die zij in Jedo doorbrengen, ten nadele, of tot gevaar van de staat, ondernomen zou kunnen worden. De geheimen bepalen zich hier dus voornamelijk tot het aanschaffen van enkele goederen en zeldzaamheden, die in Decima nooit te krijgen zijn, en tot het houden van een meer ongedwongen omgang dan de wet voorschrijft, met enige Japanners, die men als zijn vrienden beschouwd. Aan de poort van ons gebouw staat een dubbele wacht, die altijd rondom het huis gaat, en voorbijgangers verbiedt zich hier op te houden.

maandag 28 maart 2011

28 maart [27(2)]
Reeds lang voordat wij in Sinagawa [Shinagawa] kwamen, trokken wij, onder het gewoel van een talrijke schare, door brede straten, die alle tot de stad Jedo mogen worden gerekend. En van de laatstgenoemde plaats tot aan ons verblijf, waren we nog ruim twee uur onderweg, terwijl wij met stevige pas, en harder dan gewoonlijk doorliepen. Onze herberg Nagasakkya ligt dicht bij het keizerlijk paleis, dat het middelpunt van de stad is, en volgens opgave een diameter van een halve mijl zou beslaan. Volgens die berekening bedraagt de diameter van de hele stad Jedo vijf a zes uur gaans.

Het idee, de nieuwsgierigheid, die bij het binnengaan van zulk een grote stad wordt opgewekt, niet te kunnen bevredigen, maakt natuurlijke een onaangename indruk, want alleen tijdens de audiënties komt men op straat, en er schiet dus niets over, dan zijn heil te zoeken in de omgang met vrienden en nieuwsgierigen die ons komen bezoeken, en zich tevreden te stellen met de berichten, die men van hen ontvangt.

zondag 27 maart 2011

De aantekeningen van de 27ste zijn zo uitgebreid, dat ze geplaatst worden van 27 maart tot 6 april.

Op de 27e was met het aanbreken van de dag alles in rep en roer; iedereen was even druk bezig. De beste kleren werden aangetrokken en wij verlieten om negen uur Kawasaky, trokken over de rivier Rokfgogawa [Rokugogawa] , en kwamen om half 12 in Sinagawa [Shinagawa], de voorstad van Jedo, onder een verschrikkelijke toeloop van mensen. Van Miako tot hier hadden wij een afstand van 133 Japanse mijl, die men op even zoveel uren kan rekenen, afgelegd. Wij waren genoodzaakt hier enige tijd te vertoeven, en een aantal bezoeken op te wachten van vrienden en kennissen die zowel ons, als de Opperbanjoost en de tolken kwamen verwelkomen. Om twee uur vertrokken wij van hier, en wandelden tot voorbij het paleis van de Prins van Sadzuma [Satsuma], die in 1818 persoonlijk hij het opperhoofd een bezoek had afgelegd. De trein werd voorafgegaan en begeleid door enkele stadssoldaten, hoofdzakelijk om de orde te bewaren. De straten waren zo vol mensen, dat men nauwelijks iets van de huizen kon zien. En hoewel onze begeleiders op een vrij gevoelige wijzen het volk afweerden, beletten dat niet, dat men de dragers van van de norimonds bijna verdrong. Over het algemeen gingen wij door brede straten, aan beide zijden met stenen geplaveid, en, even als in andere steden, regelmatig met huizen bebouwd. Men ziet hier zeer grote gebouwen en winkels, de laatste met schanskleden behangen. Voor dergelijke winkels en vooral daar, waar stoffen verkocht woorden staan enige jongens, die de waren aanprijzen en om het hardst schreeuwen, ten einde de aandacht van de voorbijgangers op de winkels te vestigen. Men houdt hier, net als in Engeland, veel van grote uithangborden en opschriften voor die magazijnen, en ofschoon hier geen rijtuigen het gedruis en de drukte vermeerderen, kan ik de beweging in die stad niet beter dan met die van Londen vergelijken.

zaterdag 26 maart 2011

26e tot Kawasaky [Kawasaki]. Wij ontwaarden hoe langer hoe meer, dat wij in de nabijheid van de grote stad kwamen. Beweging langs de wegen, grote optochten, grote vertoefhuizen, en zelfs een beetje verschil in kleding en sommige gebruiken maken dit duidelijk. ‘s Avonds werden wij verrast door de in Jedo verblijvende tolk SAZJURO , met een van zijn vrienden, die ons hier kwamen verwelkomen. Ook kwam de waard van Nagasakkya [Nagasakiya], het lokaal waar de Hollanders in Jedo hun verblijf houden, zijn groet brengen.

vrijdag 25 maart 2011

De 25e . Wij reisden vandaag tot Foezjie Sawa [Fujisawa], door verschillende steden, dorpen en welvarende omstreken, en de


Een weg langs bebouwde akkers. Uit: Nippon.

donderdag 24 maart 2011

De 24e vertrokken wij zeer vroeg uit Noemasoe [Numazu] en voorbij Mesima [Mishima], en begonnen om 7 uur ’s morgens het Fakonies-gebergte [Hakonegebergte] te beklimmen. Het weer was vochtig, en de wolken dreven langs de grond. Dit maakte de wegen, die toch al steenachtig en zeer ongelijk zijn, zeer moeilijk voor de dragers.

Alle mooie uitzichten, die je in ieder gebergte hebt, vertonen zich hier niet minder bekoorlijk, zowel door de vruchtbaarheid van de woeste natuur als van de bebouwde akkers. De wegen zouden voor rijtuigen ontoegankelijk zijn, en worden op sommige plaatsen zelfs te gevaarlijk om in de norimond te blijven zitten. Om half een kwamen wij in het dorp Fakonie [Hakone], dat heel fraai is, en vlakbij het visrijke Togiets meer ligt. Het is in deze plaats en in dit gebergte, dat de schoonste kunststukken in lak-, snij- en draaiwerk worden gemaakt. En niemand kan de kooplust weerstaan wanneer hij de winkels binnengaat. Een paar mijl voorbij Fakonie komt men bij een van de voornaamste kooplieden van Hatta [Hata], en naderhand bij die van Imotto,die ook bijzonder zijn ingericht, om de grote Heren die hier langs reizen te ontvangen en hen naar landsgebruik door schone meisjes te laten voorzien van thee, banket en andere versnaperingen. Wij vonden de prijzen hier billijker dan in Foetjoe [Fuchu], en kochten verschillende mozaïekwerken en ook fraai bewerkte Japanse mand- en lakwerken, en kwamen pas 's avonds om 10 uur in ons logement in Odawara.

Bij een dergelijke moeilijke tochten ontvangen de dragers altijd buitengewoon drinkgeld, en ik moet tot lof van deze eenvoudige lieden zeggen, dat, hoezeer hun post dikwijls zeer moeilijk was, zij nooit de minste ontevredenheid vertoonden of het geringste oponthoud veroorzaakten, hoewel wij gedurende de hele reis van Miako tot Jedo de hele tijd dezelfde dragers voor de norimonds behielden.

woensdag 23 maart 2011

De 23e. Vandaag hielden wij het middagmaal te Josiwara [Yoshiwara] en kwamen daarna in Harra [Hara], waar wij een bezoek aflegden bij een der voornaamste ingezetenen, om zijn fraaie tuinen, bloemen, planten, vogels, enzovoorts te zien. Dit overtrof verreweg al hetgeen wij tot dusverre van dien aard hadden gezien. Maar in het bijzonder was het zomerhuis verrukkelijk, dat in de tuin stond, waarover zelfs onze Japanse reisgenoten verstomd waren. De zindelijkheid, de smaak en de verscheidenheid van planten, als ook de zo kostbare verscheidenheid van heesters en hun geliefkoosde dwergbomen, rots- en grondwerken, vijvers, enz., maakten dit plekje tot een ware lusthof. Wij werden in het zo lieflijke zomerhuisje onthaald op vruchten en banket, en moesten naderhand in de grote woning Sakki en Japans eten gebruiken, wat bij dergelijke gelegenheden niet anders dan met tegengeschenken kan worden beantwoord.

Het weer was buitengewoon mooi, en we hadden nu een vrij uitzicht op de Foegieberg [Fuji], wij reisden gestadig langs de voet van de berg in de heerlijkste en vruchtbaarste oorden en een nog mooiere omgeving dan ik mij had kunnen voorstellen. Het is geen wonder, dat de Japanners die berg door veelvuldige tekeningen en afbeeldingen voorstellen. Men krijgt nooit genoeg van dit uitzicht, en verschillende malen bleven we even staan om die schone en trotse natuur te bewonderen. Het gebied rond de berg is dicht bevolkt en bijzonder vruchtbaar. Deze berg heeft al zo lang geen vuur gebraakt, dat men meent die grond met alle veiligheid te kunnen bewonen en geen uitbarsting meer te vrezen hebben.

dinsdag 22 maart 2011

De 22e maart gebruikten we het middagmaal te Okietz [Okitsu], en verbleven naderhand in Kfoerasawa [Kurasawa], heerlijk gelegen aan de zee en aan de voet van het Satatogies[Sattatōge] gebergte. De ondertolk onthaalde hier het gezelschap volgens een oud gebruik, en wij reisden naderhand langs het strand en zeer vruchtbare rijst- en korenvelden. In het hiervoor vermelde gebergte vonden wij ook de papierboom zeer vaak en in volle bloei.

maandag 21 maart 2011

De volgende dag, 21 maart, toen wij er door kwamen, werd dit inderdaad bevestigd. Wij reisden aanhoudend door steden en dorpen zoals Oemesima [Umeshima (?)], Okabé [Okabe], Mariko, en werden over de rivier de Abegawa gedragen, net als bij de Ojegawa, waarna we in Foetjoe [Fuchū] aankwamen.


Overtocht van de Abegawa. Uit: Nippon

Deze stad is een zeer vermaarde fabricageplaats van allerlei soorten van fijn vlecht-, draai-, en lakwerk; en ook van kunstig in bamboe en hout vervaardigde mandjes, doosjes of Japans gereedschap. De kooplieden overstelpten het vertrek met de keurigste verzamelingen, die men zich van dien aard kan voorstellen. Maar nadat een keuze gedaan was, konden wij het over de prijs niet eens worden, temeer daar wij van de vorige gelegenheden wisten, dat men veel overvroeg, en dit had tot gevolg, dat zij zeer laat in de nacht bijna geheel onverrichter zake vertrokken.

zondag 20 maart 2011

De 20e reisden we door een zeer bergachtige streek, en langs steile en zeer moeilijke wegen. Het is een des te aangenamer verrassing voor de reiziger, om op deze vermoeiende tocht vertoefhuizen te vinden, vanwaar de zowel lieve als mooie dienstmeisjes komen toestellen om hem bronwater, thee en andere verversingen aan te bieden, en hem uit te nodigen, enige ogenblikken bij hun uit te rusten. Wij bleven bovenop de berg in een van de theehuizen, Sintsjaya [Shin chaya] genaamd, waar ons hetzelfde voorrecht als andere reizigers te beurt viel, en wij moesten met onze Japanse vrienden instemmen, dat de roem van de schone sekse in dit oord terecht is. We hadden reden genoeg om aan die meisjes, zoals altijd, ook te vereren met een ringetje, haarpennetje of een andere kleinigheid tot een aandenken. Het is op deze plaats, dat men het eerste uitzicht heeft op de vermaarde Foezjieberg [Fuji] die zijn witte kruin boven de andere uitsteekt en dezelfde in de wolken verliest.
De volgende vertoefplaats was te Kamija [Kanaya] en net op de middag kwamen wij voor de rivier Ojegawa [Ōigawa]. Het bed van de rivier was ruim een vierde mijl breed, maar de snelstromende rivier zelf slechts omtrent 50 voet, en de bodem is met de zware ongelijke stenen bedekt, die het 300 doorwaden moeilijk en gevaarlijk maken. De norimonds werden op draagbaren met lange bomen gebonden, en elk op die wijze door 12 of 16 mensen overgedragen.


Schetstekening van noromonodraagbaar en verschillende dragers.

Andere zaten op de schouders van de dragers. Het water kwam de dragers tot omtrent de borst, en zij werden met alle kracht door hun metgezellen ondersteund en tegengehouden, om te beletten dat de stroom hen van de doorwaadbare plaats deed afwijken. Deze lieden ontvangen voor hun moeilijke arbeid een hoog loon, maar niet in vergelijking van de gevaren en ongemakken die zij moeten doorstaan. Ze moeten zelfs in de felste koude te allen tijden klaar staan om zich tegen de bepaalde prijzen voor het werk te laten gebruiken. Met hoog water en zeer slecht weer worden de reizigers door seinen van de tegenovergestelde oever verwittigd, dat de rivier niet waadbaar is, en menigmaal is de overtocht dan dagen achtereen gestremd.
Wij kwamen reeds vroeg in Sumada [Shimada], waar wij bericht ontvingen, dat wij in de plaats van onze bestemming, Foezjie Jeda [Fujieda], niet konden overnachten, hetgeen veroorzaakt werd door een brand die ongeveer 300 huizen in de as had gelegd.

zaterdag 19 maart 2011

De 19e passeerden wij met behulp van platbodemvaartuigen, gelijktijdig met een gedeelte van die fraaie optocht, de snelstromende rivier Tenriogawa [Tenryūgawa].


Met platte schuiten over de Tenriugawa. Uit: Nippon.

Naar een sterke regen glinstert de oever, of het zand, van stofgoud dat de Japanners nog niet makkelijk weten af te scheiden. Toen we in Mitski [Mitsuke] kwamen, vonden wij meer dan de helft van die plaats verbrand. Alleen de zogenaamde brandvrije pakhuizen [stenen gebouwen] waren hier en daar nog vrij gebleven. 's Middags aten wij in Ookfoerai [Fukuroi], en 299 kwamen vervolgens door Nagorie
[Nagori], waar veel gekleurde matten worden gemaakt, en door Kikagawa [Kakegawa], waar het opperhoofd G. HEMMY op zijn hofreis in het jaar 1798 is overleden; zijn lichaam werd bij de tempel Tennenji ter aarde besteld. Wij overnachtten te Nitisakka [Nissaka], een kleine plaats, die geen bijzondere melding zou verdienen, ware het niet dat wij tijdens ons verblijf hier bijzonder vriendschappelijk door de huisgenoten werden ontvangen en bezig gehouden. Zij zagen ons de volgende dag met ontroering vertrekken, en de hospes vergezelde met zijn zoon een halve dag reizens de trein om zo lang mogelijk te genieten van ons bijzijn.

vrijdag 18 maart 2011

18e maart.
's Middags kwamen wij in Aray [Arai], een plaats, gelegen aan een ondiep, doch vrij uitgestrekt meer, wat niet te vermijden is, als men langs deze weg naar Jedo [Edo] reist. Aan de oever van het kanaal, waar de vaartuigen klaarliggen voor de overtocht, is een grote keizerlijke wacht die niemand laten doorgaan zonder een pas van de opperrechter van Miako [Miyako]te vertonen, hetgeen een staatkundig doel schijnt te hebben, namelijk om te beletten, dat de Prinsen een en andere Groten van het Rijk niet naar eigen verkiezing de hoofdstad zouden kunnen verlaten, of daarheen te gaan. Deze wacht heeft te recht om alle goederen en bagage te onderzoeken, en daarom gaat men er altijd te voet voorbij. Het Opperhoofd ging ook bij de commandant een compliment afleggen om hem te bedanken voor het gelakte Landsheer vaartuig, dat met Hollandse vlaggen klaar lag voor onze overtocht. Na anderhalf uur roeien kwamen wij aan de overkant in Maysakka [Maisaka], en we overnachtten in Hamamatsi [Hamamatsu] waar we een groot gevolg zagen van de Landsheer of Prins van Owari, een bloedverwanten van de keizer, die hier verwacht werd.

donderdag 17 maart 2011

De 17e bemerkte wij, dat Ocasakka een grote plaats was. Wij werden bijna een halfuur gedragen, eer bij de stad uit waren. De stad heeft een kasteel met hoge torens en is de geboorteplaats van de keizer Gongen. De wegen waren afwisselend vlak en bergachtig, 298 [de velden] overal met rijst, koren, soms ook boekweit, kool en ander gewassen bebouwd. We gebruikten het middagmaal in Goju [Goyū], ook een grote plaats, en overnachtten in Josida [Yoshida], eveneens een fabrieksstad waarin vooral in allerlei tempel versiersels, zoals afgodsbeeldjes, bloemen en andere aardigheden gemaakt werden, waarmee de Japanners hun huizen bij zekere gelegenheden, zoals het Poppen- of Hinafeest versieren.

woensdag 16 maart 2011

De 16e kwamen wij in Narumi, een stad bekend door zijn katoenenfabrieken. ’s Avonds trokken wij bij Jahaki [Yahagi] over de rivier met dezelfde naam [Yahagigawa] over een brug van 208 ikjes [{ik}ken] [1 ken = 1,82m] of 600 Amsterdamse ellen lang.


De Yahagigawabrug. Uit: Nippon.

De wegen waren hier over het algemeen zeer breed en zindelijk, aan weerszijden met ceder- en sparrebomen beplant. Wij ontmoetten thans vele optochten van Japanse Groten. Slechts voor zeer hoge personages hielden wij een ogenblik stil, maar alle overigen ruimden de weg voor onze trein; de geringe lieden stegen zelfs van hun paard, of hielden in hun draagstoel stil, om het compliment te maken. In de nachtherbergt te Ocasakki [Okazaki] bestond het geschenk van de hospes uit een bord met hazelnoten en gedroogde hamagori [hamaguri] of schelpvis [vlees van de Venusschelp].

dinsdag 15 maart 2011

De 15e roeiden wij de rivier op, tussen vlak land, en ontscheepten ons om 12 uur in Saya trokken over de rivier Nikogawa [Nikkōgawa], en door veel dorpen en kleine plaatsjes. Bij de rivier Foetatsdegawa [(niet duidelijk, ws. is bedoeld de tweede rivier die men die dag overstak, futatsume kawa] zagen wij een grote schutsluis, en bij het dorp Mamba [Manba] werden wij met platbodemvaartuigen over de rivier Mambagawa [Manbagawa] gezet. Toen wij aankwamen in Mia [Miya] werden ons uit de keurige ijzerfabrieken allerhande koopwaren aangeboden, die, hoewel ze niet voor ons gebruik berekend waren, vanwege hun prachtige bewerking, toch veel gekocht werden.

maandag 14 maart 2011

De 14e. Wij vertrokken met lantaarns en hadden moeite, om door de zware sneeuw te komen, hetgeen in deze maand in dit land iets zeldzaams is.


Zware sneeuw.

In Camijama [Kameyama] duurde het ongeveer een half uur eer wij door die plaats getrokken waren. Men gaat de plaats binnen door een zware poorten, met een sterke wacht bezet en met vlaggen en wapenen versierd.

De Oppertolk onthaalde ons in de namiddag te Tomida [Tomida] in een mooi gelegen vertoefhuis op schelpvis. Ook trokken wij de rivier Matsiagawa [Machiyagawa] over langs een houten brug van 450 oude ellen lang, en kwamen pas laat in de avond in Kwane [Kuwane] een stad met een kasteel, die zeer gunstig gelegen is voor de handel. Kwane [Kuwana]en Mia [Miya] zijn beroemd vanwege hun goede fabrieken in ijzerwaren.

zondag 13 maart 2011

De 13e Wij reisden langs bos- en bergachtige wegen, die vooral bij het dorp Soesokatogi [Susokutōge?] zeer steil zijn, en kwamen door verschillende kleine plaatsjes, onder andere door Sakkanosta [Sakanoshita] waar bijna ieder huis als herberg is ingericht. Te Seki gekomen, kreeg het opperhoofd, net als in alle andere nachtherbergen, een geschenk van eieren en groenten, wat gewoonlijk datgene is, wat Japanners ter verwelkoming aanbieden, waartegen men hun wederkerig een paar flessen arak of likeuren ten geschenk geeft.

zaterdag 12 maart 2011

De 12e kwamen wij in Minakfoets [Minakuchi], waar zeer fraaie werk van bezemdraad wordt vervaardigd. Wij hadden gelegenheid, ons daarvan iets aan te schaffen, omdat het weer te slecht was om langs deze bergachtige wegen vroeg genoeg het bestemde nachtverblijf te Seki [Seki] te bereiken.

vrijdag 11 maart 2011

De 11e maart kwamen wij in Oots [Ōtsu], een plaats, voortreffelijk gelegen aan het meer van dezelfde naam [Biwako] dat in deze omstreken in de zomertijd wemelt van pleziervaartuigen, en door de inwoners van Miako als hun lustplaats wordt aangemerkt. Wij gebruikten hier ons middagmaal en overnachtten in Kfoezats [Kusatsu].

donderdag 10 maart 2011

10e Deshima
Voorop gaat een groot gevaarte of een kap van laken, die rond een hoepel vastgemaakt, rondom neerhangt. Van de man die het ding op een bamboestok draagt, is niets anders te zien dan zijn voeten, en hij heeft daaraan een geduchte vracht. Allereerst door het zware geborduurde lakense kleed, dat uit wel 12 ellen doek bestaat, en daarnaast door de versierselen van het bovenste deel van het pronkstuk. Hiervoor wordt een zinnebeeldig voorwerp voorwerp dat iets geestelijks of abstracts uitbeeld gekozen, bestaande uit vogels of dieren, die bijzonder geacht zijn; een vermaard man of een beroemde vrouw; ook wel ambachtgereedschappen; een bos met sneeuw bedekte, of iets, dat op de welvaart van het land of zulk een straat zinspeelt, of ook wel doel op de eenvoudigheid van het voorgeslacht herinnert.


Optocht door de stad.

Daarna volgen vele muzikanten, die met trommels, bekkens en fluiten op z´n vreemdst uitgedost, en, met den Ottona aan het hoofd, door een aantal bedienden, die tot de straat behoren, vergezeld zijn. Daarna volgt er een stoet van kinderen, die een optocht van één van hun Dayries grootste helden voorstellen. Dit gevolg verdient inderdaad bewondering; gekleed en gewapend naar de wetten van die tijd, gaan zij in de statigste optocht voort, gevolgd door alle dienaren van het hof, zowel mannen als vrouwen, die alle pronk van een Japans Hof en een pracht en weelde tentoon spreiden, en ieder idee van keurige netheid overtreffen. Bij iedere stoet zijn een aantal kleine norimonds en bedienden, om de kinderen, als zij vermoeid worden, op te nemen.

woensdag 9 maart 2011

9e Deshima Op een bepaald plein in de stad wordt een grote hut van stro gebouwd, van voren open, en met schanskleden versierd, waarin de rijkdommen van de tempel, nadat de processie is afgelopen, tentoongesteld worden.


Feest op het plein.

Het rond dragen van de afbeelding van Suwa, in een prachtig gelakte en vergulde kast, een groot aantal kostbare wapens en heilige ornamenten, geschied door geestelijke bedienden, vergezeld door Opperpriester in palankijns en te paard, de afgevaardigden van de gouverneurs te paard, met hun gevolg van beambten van allerlei rang, en schitterend gekleed, die in de statigste orde optrekken, nadat zij de plechtigheden in de tempel verricht hebben. Deze bestaan in het overhandigen van een eenvoudige beker met Sakki gevuld, ter herinnering aan de stichter, en aan de bekrompen staat van hun voorouders.
De grote tempel is versierd met vlaggen, en wordt door iedereen op deze dagen in plechtgewaad bezocht, waarbij hun offeranden niet vergeten worden. Daarna beginnen de spelen en voorstellingen, die bij toerbeurt jaarlijks worden bekostigd door 10 of 11 wijken van de stad, waarbij niets vergeten wordt, dat maar enigszins kan bijdragen tot pracht, of vermaak. Het zijn vooral de kinderen van 7-14 jaar, die daarbij de hoofdrol spelen. Iedere straat levert drie of vier jonge toneelspelers en geoefenden, om de stoet te vergezellen en te besturen.

dinsdag 8 maart 2011

Deshima 8 maart

Het eiland Decima verdwijnt uit het zicht aan de voet van de berg, waartegen de stad Nagasakki gebouwd is, maar wordt vanaf de meeste kanten ontwaard door de Nederlandse vlag, die zich erboven verheft. Ofschoon het in het mooiste klimaat, en de gematigde lucht-van 32° 45’ N.B. en 130° 15’ O.L. van Greenwhich is gelegen, is Decima niet een heel gezonde plek, omdat het omgeven is door grachten en modderbanken, en de ligging op zeeniveau een grote hitte, en een grote vochtigheidsgraad met zich meebrengt.


Deshima, aan de voet van de berg.

De stad Nagasakki telt ongeveer een bevolking van 60.000 zielen, en is zeer regelmatig gebouwd. Als de enige plaats, waar vreemdelingen hun verblijf houden, is het zeer welvarend, te meer nog, omdat er heel veel ambtenaren en voorname koopliedenwonen, en daarnaast een toeloop van vreemdelingen heeft, die jaarlijks naar Nagazakki komen om er hun voordeel te doen en hun commissies voor de groten van het Rijk uit te voeren. Men telt in en om de stad, zo ik meen, 60 tempels van verschillende sekten, van welke die van de God Suwa de voornaamste is. Deze godheid is de patroon van de stad, waarvan het feest, zoals ik op bladzijde 194 heb opgemerkt, op de negende dag van de negende maand wordt gevierd.

maandag 7 maart 2011

De 7e. van Foezimie naar Miako [Miyako], een afstand van meer dan 2 uur, wandelt men aanhoudend door een straat met winkels en fabrieken. Ontelbaar is de hoeveelheid magazijnen met aardewerk, zaadwinkels, wild, gevogelte, theehuizen, brouwerijen en wat dies meer zij, terwijl de levendigheid, veroorzaakt door talrijke reizigers, deze weg tot een alleraangenaamste wandeling maakt.


Rustige winkelstraat.

In Miako waren wij beter gehuisvest dan in Osaka, en hadden niet minder ontelbaare bezoeken; waaronder ook de gewone plichtplegingen, welke de gouverneurs van deze steden door hun secretarissen laten vervullen. Miako ook wel Kioto [Kyoto] genoemd, is de zetel van de Dayrie, en bevat, volgens opgave, een bevolking van 600.000 zielen. Heerlijk zijn de tempels, zowel als de ligging van de rivier die door de stad stroomt, en de vruchtbare omstreken. Men houdt de vrouwen in deze stad voor de mooiste van Japan, en zet kunsten en wetenschappen hier op de eerste plaats. Hier is het verenigingspunt van de vreemdelingen uit alle oorden van het Rijk, die hun bedevaart naar Isi [Ise] doen, of zich van de fijne fabriekswaren: voorzien. Men houdt deze stad voor het Paradijs van Japan en vooral van zeer gezond te zijn, en hoezeer wij hier evenmin als in Osaka buiten de deur kwamen, hadden wij de hele dag het huis gevuld met kramers, of vrienden, die ons bezochten, en wij hadden dus gaarne het verblijf hier nog wat verlengd.

zondag 6 maart 2011

De 6e maart vertrokken wij uit Osacca, door de stad Jodo [Yodo], en over de rivier met dezelfde naam [Yodogawa], langs een houten brug die gebouwd is op 36 bogen. De stad zelf is voorzien van een goed kasteel, met brede grachten.’s Avonds kwamen wij aan in Foezimie [Fushimi] waar veel kraamwaren worden gemaakt, en waar wij door een aantal koopvrouwen werden overvallen, die zeer goed hun belang kennen, en zelden een reiziger laten passeren, zonder hem iets van hun koopwaar op te dringen.

zaterdag 5 maart 2011

Deshima 5 maart Hoewel de prijzen van de goederen bij contract zijn vastgesteld, is er ieder jaar heel wat geduld en overredingkracht nodig, om ze te bedingen, want bij het geringste verschil tussen de aangebrachte goederen met hun oude monsters en stalen, trachtten de Japanners de prijzen te verminderen. En als hierin wordt toegestemd zou dit een onherroepelijke wet voor de toekomst worden. Het is waar, dat wij dikwijls reden hebben, ons over de tolken te beklagen. Zij zijn de enigen die onze belangen kunnen begrijpen en overbrengen en ze worden er dikwijls van verdacht niet openhartig naar ons te zijn. Maar hun positie is zeer moeilijk omdat zij, aan de andere kant door hun heer en meester aangespoord worden om het belang van hun eigen gouvernement te behartigen. Soms komt men pas tot overeenstemming na een maand onafgebroken onderhandeld te hebben over de prijs, en doorgaans stemmen zij dan eindelijk in met een billijke schikking. Het opperhoofd heeft jaarlijks twee vast bepaalde audities bij de gouverneur, de eerste, om de zogenaamde fasak of recognitie aan te bieden; en de tweede tot afscheid, voordat de schepen naar de Papenberg [en daarvandaan naar Batavia] vertrekken. De pakhuismeester vergezelt hem bij die gelegenheden, en ook bij de plichtplegingen bij de rentmeester, bij de busschieters-meester, bij de twee Opper-Opper-Commissarissen van de Geldkamer, en bij de negen Opperburgemeesters van de stad Nagasakki. Het Opperhoofd is de enige die bevoegd is om een degen te dragen, en heeft in zijn gevolg, naar de Japanse wijze, twee hassambakko's, Kappa Kago's en een groot zonnescherm,


Het opperhoofd gevolgd door twee hassambakko’s en een zonnescherm.

terwijl de dragers van zijn norimod versierd zijn met het cijfer van de Oost-Indische Compagnie, en een grote waaier, die zij op de rug 276 in de band dragen, met de kleuren van de Nederlandse vlag. Wanneer de Hollanders egens in de stad vertoeven, wordt de Nationale vlag ook voor het huis gehangen. Zij lokt van alle kanten denieuwsgierigen, en zal in dit Rijk, zolang Japan zijn naam behoudt, geëerd blijven, zoals zij tot nu toe aanhoudend geacht werd en ongeschonden gebleven is.

vrijdag 4 maart 2011

Deshima 4 maart Het is genoegzaam bekend, dat onze vroeger zo voordelige handel op Japan, die aan de fabrieken op de kust van Bengalen [noordoostkust van India] en Coromamdel [zuidoostkust van India] zo veel bedrijvigheid gaf, en ons bovendien grote hoeveelheden goud en zilver opleverde, zich thans bepaald tot een eenvoudige jaarlijkse uitvoer van zeven à 11.000 pikol [= 682.000 kg] koper en 500 pikol [= 31.000 kg] kamfer.


Negotietijd op Deshima.

Dit zijn de enige artikelen, welke voor rekening van het Indisch bestuur uitgevoerd worden. De Japanners krijgen van ons, om hun verzoek, poedersuiker, sappanhout, tin, olifantstanden, kruidnagelen, poetjoek, katjoe [medicinale grondstoffen], zwarte peper, kwikzilver, lakens, chitsen, goud en zilverstoffen, fijne hamans, Taffachelassen [fijne, gestreepte zijden of katoenen weefsels uit Coromandel], polemieten, alsmede ducatons, welke artikelen alle voor vast bepaalde prijzen worden verhandeld, en met welke opbrengst het koper, de kamfer en de lasten van handel moet worden betaald. Men noemt deze rekening de Kompagniesrekening, omdat deze uitsluitend voor gouvernementszaken wordt gehouden, helemaal apart van alle andere rekeningen van bijzondere personen.

woensdag 2 maart 2011

De 2e en 3e reisden wij door vele korenvelden en zagen veel Sakkie- brouwerijen, en in het algemeen een groot vertier langs de wegen.


Gebruik van ossen in de landbouw.

Ook ontdekten wij een zekere soort van kleine wagentjes met ossen bespannen, en trokken, onder vele andere plaatsen, door de steden Nisomie [Nishinomiya], Amagasakki [Amagasaki] en Kanakki [Kanzaki], alsmede over de rivier Josogawa [Yodogawa], waarna wij ‘s avonds om 6 uur in de grote handelsstad Osacca [Ōsaka] aankwamen. De straten waren zodanig met nieuwsgierigen gevuld, dat de politie met moeite de orde kon bewaren. Men had gaarne de intrede in deze stad te voet gedaan, doch vanwege de oploop moesten wij in de norimond blijven, en zagen dus ook weinig van de talrijke en fraaie winkels. In het voorbijgaan ontwaarden wij ook het grote kasteel met zijn prachtige hoge torens, en omringd met muren en brede grachten. Het is bovendien geen gebruik, dat men de stad bezichtigd tijdens de heenreis, want het belangrijk voornemen om de keizer het Hof te maken, laat niet toe, dat men zich aan vermaken overgeeft, voordat deze plechtigheid is afgelopen. Niettemin kregen wij in ons logement veel bezoek van ambtenaren, geneesheren en andere geleerden, of nieuwsgierigen, die zich eerst lieten aanmelden, en, al naar gelang hun status werden ontvangen en onthaald.

dinsdag 1 maart 2011

De 1e maart reisden wij door tot Fiogo [Hyōgo], een zeehaven, waar de hofreisbark de overige goederen ontscheepte die niet in Moero gelost waren.


De haven van Hyōgo. Uit: Nippon.

Wij trokken heden voortdurend door steden en dorpen, van welke onder andere Ookfboe [Ōkubu] in een vallei die zeer schoon gelegen is. Bij Akasi [Akashi], ook een fraaie stad, trokken wij de rivier over, langs een brug, die op 57 hardstenen zuilen gebouwd is. In de namiddag vertoefden wij in een theehuis, Soeba genaamd [Soba, waarschijnlijk de naam van het gerecht, niet van het theehuis], beroemd wegens een bepaalde soort van vermicelli, waarvan alle Japanners een portie namen. Recht tegenover dit huis is het gedenkteken en de begraafplaats van een zekere SIGISMAY [Shigisumai] een kroongeneraal en zoon van de Dayrie ADSMOYNOTENNO [Azumoi no tennō] die hier in de oorlog tegen Heike sneuvelde. Wij kregen hier een jongeling mee, die in deze omstreken de planten aanwees, en bijzonderheden verhaalde over deze in de Japanse geschiedenis zo beroemde veldslag.

maandag 28 februari 2011

De 28e trokken wij de rivier Itsigawa [Ichigawa] over, en gingen aan de zijkant van de grote weg af, om enige vermaarde tempels te bezichtigen. De eerste was die van Sone no Tinzin [Sone no Tenjin]; men wees ons hier op een sparreboom van 983 jaar oud, die als een grote schat wordt beschouwd, met nog een andere, minder oud, maar met een zeer grote omvang, en een ontzettend groot oppervlak beslaand, beiden in een zindelijk en smaakvol plantsoen van fraaie bomen en gewassen. Het inwendige van de tempel bevatte fraaie zalen, die door schilder-, verguld- en beeldhouwwerk zeer bezienswaardig zijn.
In de tempel Onoje zagen wij in de grote klok, en bij de tempel Itsnohoden [Ishinohoden] een vierkante steen van de 40 voet hoog en 30 voet breed, die van onder spits toeloopt en rust op een klein voetstuk dat in een vijvertje stond. Het merkwaardige van dit gevaarte was dat het boven tegen de berg lag, zonder dat men kon bespeuren, dat het op die plaats uit de berg zelf was gehouwen. Het zou in Japan ondoenlijk zijn een dergelijk gewicht naar boven te werken, en dit is reden genoeg in dit land om er een bijgelovig denkbeeld aan te hechten. De Japanners zeggen namelijk, dat een zekere godheid die steen daar in één nacht tot gedenkteken heeft geplaatst


De merkwaardige steen bij Ishinohoden, Takasago

We trokken de rivier Ary over en zagen nog een Budsdo-tempel te Takisago met fraai beeldwerk, en enige, bij hen, zeer kostbare oudheden. 's Avonds kwamen wij in Kagasawa [Kakogawa] waar wij overnachtten en

zondag 27 februari 2011

De 27ste februari vertrokken wij uit Moero, en gebruikten het middagmaal in Sozio [Shōjō], waar wij met vaartuigen de rivier met dezelfde naam overstaken. In deze omstreken zijn veel leertouwers, of zogenaamde beulsstraten die onder de afstanden niet geteld worden. ‘s Avonds kwamen wij in Fimezi [Himeji], een stad met een fraai kasteel, en kregen enige marskramers op bezoek, die ons wat lederwerk aanboden dat zij ongemeen kunstig weten te bewerken.

zaterdag 26 februari 2011

26e 's morgens het anker vallen te Moero [Muro], nadat wij in 45 uren 117 mijlen afgelegd hadden. Wij werden uitgenodigd om te overnachten in het vertoefhuis van de Landsheer, en deden vervolgens een wandeling naar de tempel Muro na Miosin [Muro no Myōjin], die prachtig tegen de berg gelegen is, en uit verschillende schitterende gebouwen bestaat, waaronder vijf tempeltjes of kapellen zijn die naast elkaar liggen en zich bijzonder onderscheiden omdat ze prachtige gevels met snij- en verguldwerk hebben.


Het tempelcomplex Muro no Myōjin. Uit: Nippon.

Voor elk van deze tempels stond een offerkist, en de deuren waren met kostbaar koper beslagen en van een groot slot voorzien, dat zoals men zei door de Dayrie [Dairi] was verzegeld, omdat deze kapellen relikwieën van voorname heiligen zouden bevatten. Men vindt in een van de galerijen van de tempel, onder vele andere pronkstukken, een groot schilderij van twee Hollandse schepen in volle zee, dat door een zekere koeliemeester, JISKI [Gisuke] genaamd, in het jaar 1804 aan de tempel geschonken werd. Daarna bezochten wij de tempel Zjowoenzi [Jōunji] waar men het graf vindt van een zekere TOMOGIMI [Tomogimi], de eerste onkuise Japanse vrouw, en deden nog enige grote wandeling in de nabijheid van en door Moero, een plaats die ook beroemd is vanwege het fraaie lederwerk, dat de stad en de omstreken opleveren.

vrijdag 25 februari 2011

De 25e. Omdat weer en wind het toelieten om te vertrekken, scheepten wij al vroeg alles in, en kwamen voorbij Miwara [Mihara], dat een groot kasteel met verschillende torens heeft. Wat hoger, tegen de rug van de berg, ziet men een grote tempel. Bijna alle Japanners wierpen een klein met sake gevuld tonnetje overboord waaraan 13 pitjes of duiten zijn vastgebonden, om aan de God Kampirai [Konpira] te offeren. De vissers, die deze tonnentjes opvangen, verzuimen niet, om deze af te leveren in de daar dichtbij gelegen tempel van hun beschermheer of patroon met die naam. Wij zagen aan bakboord het dorp Tasima [Tajima] en het landschap Firozima [Hiroshima], en lieten de