woensdag 20 februari 2008

Maandag 20 februari
Kort voor zeven uur vertrokken uit Jamaye. Het landschap bergachtig, de landweg moeilijk voor de dragers van onze zware norimono. De bergen Iketa Jama en Hoomantake. Zeer vaak Kalmoes (Acorus gramineus) bij opborrelende beekjes.


Acorus gramineus (Soland.), Collectie NHN

Op de Hijamis’toke volgens een oud gebruik in een voor verfrissing van wandelaars aangelegd theehuis sake gedronken in het gezelschap van de banjoosten en tolken. – Krijgen van de waard enkele fazanten kado. –
Het zogenaamde kapittel van de Oost-Indische compagnie – is vaak belachelijk.
De opperbanjoost raadde de waard aan, om voor mijn terugkomst de meest bijzondere naturaliën van dit gebergte te verzamelen, waarvoor ik hem mijn dank betuigde.

Regenweer – Verder door het gebergte getrokken, het spijt me dat ik mijn onderzoek naar Kryptogamen [sporenplanten; varens, mossen] niet kon voortzetten. De toppen van de bergen kaal. Aan de voet van de berg weer een sakeborrel. – krijgen ook weer fazanten als geschenk; – ik krijg van de waard een stuk bamboe, twee stammen die in het midden met elkaar vergroeid zijn. In de ogen van Japanners zijn natuurzeldzaamheden altijd en alleen gebaseerd op iets bijzonders, iets vreemds. (Het verbouwen van de Japanse mosterd (Sinapis japonica. Th. is sinensis D.C.) en een Brassica soort in het Japans Takana.

Het vrouwelijke geslacht heel gracieus, een fijne witte gelaatskleur met levendig rood – op de wangen – de neus bij de wortel iets ingedrukt. – De afstand tussen de binnenste ooghoeken weliswaar nog duidelijk groter als bij ons Europeanen; de Caruncula lacrymalis [traanheuvel] door het naar beneden hangen van de palpebra superior [bovenste oogleden] nog wel bedekt, maar toch meer gespleten dan ik het in Nagasaki zag, waarbij kinderen het bovenste ooglid zich namelijk over het onderste heen vouwt. Om die reden lijken de ogen scheef te staan. De mond groot, de lippen enigszins verhoogd.

In het dorp Nakao aan de voet van de berg ontmoetten we een bijzondere Japanner. Zijn naam was Otosjuro – geboren in Nakao – een boerendorp – uit gezonde ouders – gezonde constitutie – had kinderpokken gehad – nu achttien jaar Japans – zag er kinderlijk uit – had een zachtmoedige karakter. Hij praatte als een jongen in de puberteit. Hij trok mijn aandacht vanwege zijn zeer bijzonder opvallende gezichtsbouw; een ver vooruitstekende voorhoofd en een ingedrukte neus. Als je een denkbeeldige lijn zou trekken van de kin naar het voorhoofd bleef de neus daar zeker enkele millimeters achter. –

Omvang van de horizontale doorsnede 1’7’’9’’’
diagonale - 1’6’’3’’’
diagonale - over de ogen 1’7’’3’’’
Gezichtshoek, zeer recht (door ontbreken van snijtanden)
Afstand tussen de ogenhoeken (binnenste) 1’’6’’’
mondhoek en de oorlel – 3’’6’’’
het neusbeen en de mond 4’’’
Lengte van het neusbeen 3’’’
Prominentie van de neus boven de gezichtshoek enige millimeters
De neus blijft enkele millimeters achter een lijn getrokken van het voorhoofd naar de kin.
Lengte van de schedel tot de kin 6’’8’’’, van de kin tot de halsgroef 2’’8’’’
Lichaamslengte van de schedel tot de voetzolen 4’6’’8’’’
Lengte van de uitgestrekte armen 4’9’’6’’’
Breedte van de mond 1’’11’’’
Lengte van de oren 2’’1’’’

Lippen dik – baard – wenkbrauwen – schaamstreek slechts voorzien van lichte melkharen. – Afgezien van 2 hoektanden in de bovenkaak was zijn mond tandeloos – aangeboren.

De aard van de bergen toont niets anders dan een overgang van de oorspronkelijke, ik vond uitstekende graniet en zandsteenlagen: later zag ik weer grote steenkoollagen, die op de berg(en) verslakt werden hetgeen voor ons tijdens de donkere avond een aangenaam verschijnsel was. Het Zumijakijama-gebergte waar we de steenkoollagen vonden, strekt zich uit over een breedte van ongeveer 50 ken [97,5 m] langs de Noozugawa rivier, waar wij ’s avonds met prauwen overheen gezet werden: overigens was de weg vandaag zeer goed, het land vruchtbaar aan rijst. Ook zag ik vandaag zeer veel ossen, die zowel voor het ploegen als voor het dragen van lasten gebruikt werden. Dr Bürger.

Een mossel soort uit Solen (in het Japans Mate kai) wordt vaak gegeten. Nu strekt het landschap zich uit als een tamelijk vruchtbare vlakte die rijk is aan rijstvelden – het dorp Tendomats – Kotake. De invallende avond maakte verder onderzoek onmogelijk –zeer vemoeid – men zet ons bij Nogata over de rivier Nosugawa, met boten die watasibune worden genoemd en komen ‘s avonds tegen 11.00 uur aan in Kojanose. – gemiddelde temperatuur 50° [10° C].

Namen van de plaatsjes in Jamaye waar we doorheen trokken; Uranosite – Hijamis’toge, Arita – Utsino – Jokojama – Inowura – Aje – Nakao – Nakawokawa, 5 ken [ 9.75 m] breed, en een tweede 3 ken [5,85 m] breed. Idsumo, waar een meer ligt Tsutsumi – sints’jaija – Seto, Setogawa 2 ken [3,9 m] breed. Tentoomats – Akimats – Jitska – middagmaal. Mianosimo Katasima, daar ook een meer voor de bevloeiing van de rijstvelden. Susujegawa 4 ken [7,8 m] breed, Mise, – Koobukara – Wakamura – Skanoo – Kodake Katsnoe – Iwabara – Noogata, daar een rivier 50 ken [97,5 m] breed Honmatsi – Kojanose.]

Geen opmerkingen: